Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volmondig erkend, en wanneer wjj fier op dat voorgeslacht zijn, zal dat door niemand eene aanmatiging worden genoemd. Nu weten wjj natuurlijk niet met zekerheid of onze voorvaderen ook de Uwe waren, maar wij stellen ons toch gaarne voor, dat dat het geval is, en dat wij allen als Nederlanders het recht hebben in de Nederlanders van het verleden ook ons voorgeslacht te zien. Dat is een adeltrots in den goeden zin des woords, want het legt ons de verplichting op, ons de echte zonen te betoonen van zulke voorouders.

Misschien zal nu deze of gene mij toevoegen: Gij hebt, van den huiselijken kring uitgaande, dien kring allengs uitgebreid tot Uwe vrienden, Uwe geboorte- en woonplaats, Uw vaderland; wat belet ons nu dien kring nog wat verder uit te breiden en ook te gaan spreken van een ijveren voor liefde tot het heele menschdom? Welnu, wat mij betreft, moogt gij het heele menschdom wel liefhebben als gjj maar kunt. Dat echter is de quaestie. Alge-

meene menschenliefde is een groot woord evenals bewondering voor de geheele natuur, vereering van alle kunstwerken, ingenomenheid met alles en nog wat. Eene liefde, die alles omvat is geene liefde meer, en gelijkt zeer veel op onverschilligheid of wispelturigheid. Wie gevoel en karakter heeft moet graden kennen in de mate zijner genegenheid en weten te onderscheiden, waar de liefde zich nog innig doet gevoelen en waar zjj zóó zwak wordt, dat zij den naam van liefde niet meer verdient. Om lief te hebben moet men zich in zijne genegenheid kunnen beperken en wel juist zoover als noodig is, om die krachtig in daden te kunnen openbaren.

Toch behoeft vaderlandsliefde nog niet te leiden tot vijandschap tegenover al wat vreemd, minachting van al wat onvaderlandsch is. Zulk eene liefde is apenliefde, die uit pure genegenheid het geliefde apenjong dooddrukt. Ware vaderlandsliefde eischt, dat men niet opzettelijk blind zal zijn voor de gebreken van zijn eigen volk of de misstanden, die er in zijn eigen land heerschen, want alleen door die op te merken heeft men aanleiding om die te verbeteren. En blijkt het dan dat buiten ons land die gebreken overwonnen zijn en die misstanden niet meer heerschen, dan doen wij verstandig en vaderlandslievend tegeljjk met bjj den vreemdeling in de leer te gaan. Door belang te stellen in alles wat buitenslands gevonden wordt en daarvan ook voor ons eigen land partij te trekken, bewijzen wij aan ons land grooter dienst, dan door alles te verwerpen wat vreemd is, alleen omdat het vreemd is. Bekrompen ingenomenheid met het eigen land wenscht het Algemeen Nederlandsch Verbond niet aan te kweeken. Integendeel, het wenscht den blik zjjner leden te verruimen, ook door aan het begrip „vaderlandsliefde" eene uitbreiding te geven, die het gewoonlijk niet heett.

Zooals gij uit de Statuten van het A. N. V. zult kunnen zien, komt daarin het woord „Vaderland" zelfs niet eens voor. Spreken wij van ons vaderland, dan denken wij vanzelf aan het Koninkrijk der Nederlanden, bepaald binnen de politieke grenzen, die daarvoor nu eenmaal op grond van historische gebeurtenissen zijn vastgesteld. Wij denken aan eene staatkundige eenheid, met onze geliefde

Sluiten