Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van en na een heeten strijd met hare nieuwsgierigheid te hebben gestreden, besloot zij toch op Blumenbach, die haar vergezellen zoude, te wachten.

De dag werd voor haar lang en vervelend. Nell was dan ook recht blijde toen zij tegen den namiddag de stem van Blumenbach in de poortgang hooide.

Hij was warm en opgewekt. Reeds had hij zijn slappen vilten hoed laten vervangen door een donkerroode fez met zwarte kwasten. Dit was zoo licht, zeide hij ; hij was reeds zoo goed tehuis in de stad alsof hij hier geboren was en in de voormiddag-uren had hij althans zooveel Arabisch leeren spreken, dat allen hem hier konden verstaan, ten minste wat de hoofdzaak

aanging.

Maar zijn grootste pleizier was het toch geweest, om een troep goochelaars flink af te ranselen; dat volkje begon het hotel te belagen en het den eigenaar lastig te maken. Het had vrij wat overleg gekost, om ze met zijn wandelstok van de plaats te jagen, want een gedeelte der mannen, zij die boezeroenen droegen, waren gevaarlijk. Het was heusch vermakelijk geweest, op de kaftaan-dragenden te slaan, want men kon terwijl de slagen vielen, onophoudelijk verschillende tonen uit den bolstaanden kaftaan kloppen. Op een slangenbetooveraar had hij het „Heil Dii im

Siegeskranz" gespeeld.

En — hebt u ook al gehoord welk een juweel

Sluiten