Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dit vertrek miste men alle gewone meubelstukken. Op een bont tapijt, dat midden in de kamer uitgespreid was, lag de Kadi, flauw verlicht door een walmende olielamp.^ Hij geleek wel de dubbelganger van „Soliman de dikke" zoo groot en zoo rond was hij. Uit dat groote pak kleederen kwam een kluchtig, kaal geschoren hoofd met twee scherpe valkenoogen en een tandeloozen mond te voorschijn.

„Waarover hebt u te klagen, Effendi?" vroeg Blumenbach.

Wel tien of twaalf kamerdienaren, meest allen zwarten, stonden rondom het ziekbed geschaard. Zij mompelden allen tegelijk:

„O — O! — De Effendi heeft vreeselijke buikpijnen."

„Sta mij toe u te onderzoeken," zeide Blumenbach, met eene buiging naar den zieke.

De kamerdienaars begonnen den Kadi Jussuf Effendi te ontdoen van een massa kleedingstukken, waarin men hem gepakt had, in de hoop hem aan het zweeten te brengen. Eerst trokken zij hem een pels uit; daarop volgde een zwart kumbas; toen een donkerblauwe mantel ; dan een lichtblauwe; vervolgens een geelgestreepte ; en ten laatste een kort jakje van donkerpaarsch fluweel en een kussen, dat op zijn buik gelegen had. Dus was „Soliman de dikke" in een ommezien veranderd in een mager, uitgedroogd manneke, dat daar op het tapijt lag, in zijn onderkleeding, en bespottelijk bang was.

Sluiten