Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofddeksels met gescheurde randen, of gebochelde hoe den; geen vuile lucht van bier en brandewijn. De zon der woestijn scheen vol op helder witte, sierlijk gevouwen tulbanden, op lichtblauwe kaftaans, als bij de deining van het strand van den Archipel, op een golf van blauw water en schuim. Zij scheen op de prachtig gevormde schouders en armen, en op schoone, meest jonge, baardelooze aangezichten. Maar de groote donkere oogen, die uit die aangezichten vonkelden met den gloed van roofdierenoogen, maakten deze volksmenigte veel angstwekkender, dan eene schare van menschen, gekleed in de vuilgrijze bedelaarslompen van het Westen. Hun mond stond half open, zoodat de parelwitte tanden zichtbaar werden en een diepe groef lag aan weerszijde van den mond. Een zacht aangroeiend gemompel van stemmen klonk als het geraas van een grooten ketel, waarin het water begint te koken.

Toch lag er iets gedempts over de geheele vergadering, voor het consulaat. Deze oploop was niet het gevolg van een vast besluit; het was de halfbewuste beweging van den sluimerende, in den slaap.

Alle bruingeschilderde luiken en spiegaten van het consulaat waren gesloten. Harven, Nelly en Blumenbach monsterden, door de latjes der neergelaten jalouziën van de woonkamer, het wel verontrustende, maar toch indrukwekkende, bonte schouwspel op de straat.

Blumenbach begon in te zien, dat hij eigenlijk zeer

Sluiten