Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer hem dit een onwaardig einde toescheen, begaf hij zich aan het werk; maar om zulk een geheimzinnig en ondragelijk leed te bedwelmen, moest hij tot overspanning bij den arbeid vervallen en nu ontstond daaruit weder een nieuwe kwelling. De filosofie van het lijden had zijn gedachtenloop zoodanig in beslag genomen, dat hij begon een wantrouwenden blik te slaan op alles wat niet zwart was getint.

Vleermuizen en ander nachtelijk gedierte worden door lichte kleuren aangetrokken; den bewoner van het Westen lokte men het beste met zwart. Alles wat het leven verbitteren en somber maken kon stelde hij op prijs en hij was trotsch op „zijn mooien hoed". Verwierf hij langzamerhand een fortuin, dan wees hij met grootspraak op het lijden en de ontberingen zijner jeugd. Tooneelvoorstellingen, die den toeschouwers een griezeling over de leden joegen, als stiergevechten en slachterijen, vonden een ongehoorden bijval. De grootste dienst dien men een auteur bewijzen kon was, het lijden en den weemoed te doen opmerken, die zich in zijne geschriften verraadden. Daarom was het ook het streven der dichters om in hun werk iets te leggen, dat ten naastenbij aldus zou kunnen geformuleerd worden: „Ik ben de grootste martelaar, die ooit een frangaise gedanst heeft!" —

Een Westersch treurspel op te slaan, hetzij roman of novelle, stond gelijk met het openen eener deur

Sluiten