Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeelte der liberale partij en bij de regeering had ontmoet. Uit medegevoel voor de mingegoeden, die men tot economische offers dwingt, zonder eenig streven om hen daarin tegemoet komen; ter wille van het verplichte volksonderwijs, dat door verwerping van dit, door zijn onvoldoenden leertijd en talrijke vrijstellingen al te onvolledig geworden schijnwetje op den duur meer gebaat dan geschaad zal worden, daar zij eer zal lijden tot werkelyken leerplicht op sociaal standpunt, het eenige waarop afdoende regeling mogelijk is; ter wille van volksontwikkeling en van sociale hervorming, achtten hij en zijn partijgenooten zich verplicht, aan dit wetsontwerp hun stem te onthouden.

en door den heer Van Kar nebeek, die betuigde tot zijn leedwezen zijn stem tegen het wetsontwerp te moeten uitbrengen wegens het bij amendement aangenomen art. 35, waardoor, naar zijn meening, in beginsel het stelsel van schoolvoeding en schoolkleeding wordt aanvaard *).

De Eerste Kamer verzond het wetsontwerp den 2den April daaropvolgend naar haar afdeelingen, die tot rapporteurs benoemden de heeren Van Weideren Rengers, Van Nierop., Van Boneval Faure, Melvil van Lynden en Alberda van Ekenstein. Deze commissie van rapporteurs bracht op 16 Juni een voorloopig verslag uit; haar eindverslag, de memorie van antwoord der regeering behelzend, verscheen den 27sten dierzelfde maand. Op 5 Juli kwam het wetsontwerp in openbare beraadslaging, na afloop waarvan het dienzelfden dag met 33 tegen 16 stemmen werd aangenomen.

Vóór stemden de heeren Laan, Geertsema, \ an Swinderen, \ an Boneval Faure, Nebbens Sterling, Van Wijck, Nysingh, Alberda van Ekenstein, Van Nierop, de Jong, Fennema. Pijnacker Hordijk, Breebaart, Fransen van de Putte, Rahusen, Van Nispen, Van Alphen, Vening Meinesz, Bergsma, Vlielander Hein, Welt, Dijckmeester, Van Lier, Van Weideren Rengers, Rutgers van Rozenburg, Van Hall, s'Jacob, Röell, Bultman, Viruly, Kist, Van Heek en Van Naamen van Eemnes.

Tegen stemden de heeren Melvil van Lynden, Godin de Beaufort, Van der Biesen, Cremers, Merckelbach, Sassen, Regout, Van Pallandt van Waardenburg en Neerijnen, Michiels van Kessenich, Van deiDoes de Willebois, Van Zinnicq Bergmann. Reekers, Schimmelpenninck van der Oye, Prinzen, 't Hooft en Van Asch van Wijck.

Het wetsontwerp erlangde kort daarop de koninklijke bekrachtiging en is daardoor geworden de wet van 7 Juli 1900 (Staatsblad n°. 111).

*) Handelingen der Tweede Kamer. 1899-1900, blz. 1356-57.

Sluiten