Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7.

liet gewijzigde wetsontwerp bijgevoegd, ten einde misbruik te voorkomen (AI. v. A., t. a. p.) — Gevraagd werd, waarom de regeering de avonduren buiten rekening wilde laten. (2e V. V., t. a. p.) — Het antwoord luidde, dat leerplicht in dezen titel van de wet wordt opgelegd voor het geregelde bezoek eener gewone dagschool. (2e M. v. A., t. a. p.)

Onder 3°.

Strekking. Men leze deze vrijstelling in verband met art. 10, volgens hetwelk het bezwaar van de ouders, enz. tegen het onderwijs op de scholen in kwestie zóó overwegend moet zijn, dat zij hun kind voorloopig liever van het door de wet gevorderde onderwijs verstoken laten, dan het aan een dier scholen toe te vertrouwen.

In de toelichting van het oorspronkelijke wetsontwerp werd de vrijstelling uitsluitend voorgedragen als een tegemoetkoming aan ,ernstige gemoedsbezwaren". Daarbij werd er op gedrukt, dat het niet aangaat liet voor te stellen, alsof men deze alléén kan hebben tegen een openbare school: voorstanders van openbaar onderwijs kunnen ze ook hebben tegen bijzondere scholen. De vraag was dus niet, of de ouders eventueel gedwongen zullen worden, hun kinderen te zenden naar een openbare school; maar wèl: zullen zij gedwongen worden, hun kinderen te zenden naar een school, waar onderwijs wordt gegeven in een richting, die zij verkeerd achten, indien zij voor hen op een school in hun geest geen plaats kunnen krijgen? Deze vraag ontkennend beantwoordend, achtte de regeering het nauwelijks noodig te betoofren, dat „gemoedsbezwaren" niet mochten of konden worden aangenomen als geldige reden van tijdelijk schoolverzuim: niet de zoodanige, die zich b.v. wèl in den zomer en niet in den winter voordoen, kan natuurlijk geen rekening worden gehouden. Zij mochten dus enkel in aanmerking komen als reden van absoluut schoolverzuim. En de vrijstelling moest zóó omschreven worden, dat zooveel mogelijk waarborg werd verkregen tegen misbruik. De regeering hoopte door de voorgestelde regeling aan den eenen kant hen, die in gemoede bezwaar hebben hun kinderen naar een zekere school te zenden, te vrijwaren tegen vervolging, en aan den anderen kant te waken, dat niet dergelijke bezwaren met gunstig gevolg als voorwendsel kunnen worden aangegrepen om aan de wettelijke verplichting te ontkomen. (M. v. 7'., blz. 7.) — Bij liet eerste onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer werd de vrees uitgesproken, dat overwegend bezwaar zou kunnen worden aangevoerd op grond van den persoon des onderwijzers, en dat dit allicht gebruikt zou worden als middel van agitatie om te komen tot het ontslag van een onderwijzer, met wiens meeningen op politiek of sociaal gebied de ouders zich niet kunnen vereenigen. Enkele leden verlangden daarom, dat in de wet, overeenkomstig de blijkbare bedoeling der regeering, van „overwegend godsdienstig bezwaar" zou worden gesproken. Anderen daarentegen konden niet inzien, op welken grond buiten aanmerking zouden moeten blijven de gemoedsbezwaren, welke berusten op afkeuring van de beginselen, die de onderwijzer eener openbare of bijzondere school is toegedaan, of wel op het vermoeden, dat zijn zedelijk gedrag te wenschen overlaat; al ware het zeker niet goed te keuren, indien het opperen van zulke bezwaren gebruikt werd als middel van agitatie tegen onderwijzers, die hun taak

Sluiten