Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7.

onderwijzer in tal van streken geheel op losse schroeven zou worden gezet — De heer Troelstra sloot zich bij hem aan. Zooals de vrijstelling thans luidt, geeft zij aan de ouders de bevoegdheid, de verklaring in te zenden, dat zij wegens de aanwezigheid van een socialistischen onderwijzer oezwaar hebben, hun kinderen naar de school te zenden. Wanneer, in plaatsen waar socialistische onderwijzers benoemd worden, tegenstanders dit doen in grooten getale, zullen de autoriteiten, ziende dat zulk een onderwijzer een hinderpaal is voor de uitvoering der leerplichtwet, zeggen; die man kan heel goed en braaf zijn, maar men is niet van ïem gediend; hij moet dus verwijderd worden. — Daarentegen werd het amendement door den heer Schaepman bestreden, o.a. op dezen giond dat men, het woord „godsdienstig" in de wet opnemend, tusschen lien, die een leerstelligen godsdienst belijden, en anderen, die met Schiller „ans Rehgim geen enkele religieuse belijdenis aanhangen, een rechtsongelijkheid schept, die het aan de laatsten onmogelijk maakt, zich van de verplichting, 0111 onderwijs te doen verstrekken, te ontslaan: terwijl

T ♦ 6 isser ,er' onder meer' bijvoegde, dat er personen kunnen -ïjn, die tegen de openbare school geen godsdienstige bezwaren koesteren, maar op ethische of op paedagogische gronden bezwaar hebben tegen

!,!L0Sd!71J8' d/ar eegeven" - I,e heer Tydeman vreesde met den neer Ketelaar, dat (waar de regeering in haar tweede memorie van antwoord zich over het verband tusschen den onderwijzer en diens onderwijs had uitgelaten, zooals liiervoren is vermeld) diens innerlijke beginselen 111 het geding betrokken zullen worden, en dat men zal kunnen ti eden 111 een onderzoek naar die beginselen, ook al uit de onderwijzer ze niet op school, en al houdt hij zich daar uitsluitend aan zijn plicht

vLT " . !TU ,wat voor de •<eu«d gangbaar en toelaatbaar moet \v 01 den geacht. Doch het amendement kwam aan die bedenking niet tegemoet; het sloeg er niet op, maar er naast, 't ls niet de vraag, of net bezwaar godsdienstig wezen moet, dan wel of het ook van anderen g®n. aal'd ma"' f'•)": de vraag is, of het gericht moet zijn 7 ' het onderwijs, dat op de school gegeven wordt, dan wel of het

ook tegeiv den persoon van den onderwijzer mag zijn gericht. De

minister, onderschrijvend wat tegen het amendement was aangevoerd legde nochtans klem op de ratio legis, dat, als men bezwaren heeft tegen den-geest of <le strekking van het onderwijs, en daarvan door een ernstige verklaring blijk geeft, vrijstelling van den leerplicht behoort te worden verleend. Maar juist dit beginsel zou niet tot zijn recht kunnen komen, indien de autoriteiten moesten beoordeelen of de bezwaren wel godsdienstige bezwaren zijn. Overigens was de uitlating in de tweede memorie van antwoord misverstaan. Volgen* de uitdrukkelijke bepaling der wet mogen uitsluitend bezwaren tegen het onderwijs en niet bezwaren tegen den persoon des onderwijzers, in aanmerking komen: wie bezwaren heeft tegen een persoon, en niet tegen het onderwijs, maar toch de verklaring aflegt, ontduikt de wet. - Hierna constateerde de heer Tydeman, dat de oorspronkelijke beteekenis, die aan de .bezwaren was gehecht, dus gehandhaafd blijft, namelijk dat die uitsluitend tegen den geest en de strekking van het onderwijs moeten zijn gericht. — Doch de heer Ketelaar, hoewel niet kunnende ontkennen, dat na de duidelijke verklaring van den minister de zaak er

Sluiten