Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 12

omvat zoowel godsdienstonderwijs als de vervulling van godsdienstplichten op kerkelijke feestdagen. (M. r. A., blz. 41.)

De „vervulling van godsdienstplichten" is uitdrukkelijk vermeld, 0111 den twijfel weg te nemen, die blijkens het 1'. V., blz. 25. kon ontstaan, of alleen godsdienstonderwijs in de uren, krachtens art. 22 der wet op liet lager onderwijs *) aangegeven, als geldige reden van liet verzuim te beschouwen is. Ware dit liet geval, dan zou vermelding in deze wet achterwege kunnen blijven: doch juist omdat er óók buiten die uren plichten kunnen te vervullen zijn, en dan als wettige reden moeten gelden, zijn zoodanige plichten iiier met name genoemd. [M. v. A., t. a. p.;

Door den heer Ketelaar werd een amendement voorgesteld om achter „godsdienstplichten" in te lasschen: „het gewone catechetiseJi onderwijs niet inbegrepen". Met liet oog op katholieke kinderen en op hun behoefte aan voorbereiding voor de heilige communie, ook buiten de schooluren, betoonde hij zich, des gewenscht. bereid om tussclien 4°. en 5°. te voegen: „voor Rooniscli-Katholieke kinderen de voorbereiding tot de heilige communie". Maar overigens beoogde hij te verzekeren, dat (gelijk reeds b.v. te Amsterdam voor de leerlingen der openbare scholen geschiedt, zonderdat daarbij de geringste moeilijkheden ondervonden worden) het catechetisch onderwijs steeds gegeven worde buiten de gewone schooluren, opdat liet schoolonderwijs niet voortdurend min of meer in de war zij, wanneer telkens bij verschillende lessen kinderen ontbreken. — De heer h'oessingh bestreed het voorstel, omdat daaruit op het platteland, met zijn groote afstanden, ernstig nadeel voor het godsdienstonderwijs kon voortkomen. — Zijnerzijds betuigde de minister, dat het minder bedenkelijk zou zijn, indien aan art. 22 der wet op het lager onderwijs overal en in elk opzieht voldoende uitvoering ware gegeven; maar hij moest er zich tegen verklaren, nu lang niet overal reeds een zóódanige regeling bestaat, dat de uren, voor liet godsdienstonderwijs aangegeven, voldoende zijn. — De heer de Visser voerde twee principieele bedenkingen aan: niet alleen dat de eerste en voornaamste godsdienstplicht, door kinderen waar te nemen, is het deelnemen aan het catechetisch onderwijs: maar óók dat dit, bij aanneming van het amendement, zou vallen onder de „ernstige omstandigheden", die aan het slot van liet artikel worden genoemd, zoodat liet, wegens art. 16, op tal van plaatsen van het oordeel van het hoofd der school zou afhangen, of het bedoelde onderwijs onder die „ernstige omstandigheden" zal worden gerekend, iets waarover den onderwijzer liet oordeel niet toekomt. — Tegen het voorstel werd eindelijk geprotesteerd door de heeren Mutsaers en \ ermeule n, van wie de eerste het een inbreuk op liet recht van godsdienstleeraren, hetzij katholiek of protestantsch. de laatste het een monstruositeit noemde. — De voorsteller, over dezen storm van verontwaardiging zich verwonderend, trok het amendement in, dewijl hij niet het denkbeeld wilde doen ontstaan, dat het zijn be-

*) Dit artikel luidt: rB(j Je regeling der schooltijden wordt door het vrijgeven van uitdrukkelijk in de regeling genoemde uren gezorgd, dat de schoolgaande kinderen van de godsdienstleeraren godsdienstonderwijs kunnen genieten."

Sluiten