Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HPI- «■

Onder 3o. en 4°.

Het geldt hier niet recidive als grond voor strafverzwaring, doch een herhaling, die strafbaar is met de lagere straf, welke het artikel in zijn aanhef op de reeks van eerste overtredingen binnen zekeren tijd stelt. De tijd van zes maanden, voor de gevallen onder 1°. en 2°. bepaald, wordt nu, indien binnen dien tijd een overtreding plaats heeft, een nieuwe tijd van een jaar. Daarvoor is dus het tijdstip van aanvang dat, waarop de overtreding voorviel. (M. r. A.. blz. 45.)

S 2-

Hier daarentegen is sprake van strafverzwaring in geval van wettelijke herhaling, en is derhalve, in overeenstemming met het stelsel van het wetboek van strafrecht, een termijn gesteld, gerekend van het tijdstip waarop de vroegere veroordeeling onherroepelijk is geworden. (M. >'■ t. a. p.)

De heeren Van Kol, Schaper en Troelstra stelden voor, op art. 23 te doen volgen een nieuw art. 23t)is. hetwelk in den loop der beraadslaging herhaaldelijk gewijzigd werd, maar ten slotte luidde als volgt:

„De strafbepaling, in den aanhef van art. 23 genoemd, is ook van toepassing op hem, die als werkgever een kind, dat zonder verlof in strijd met de bepalingen der wet de school verzuimt, gedurende den verzuimden schooltijd arbeid laat verrichten."

De heer Troelstra, wijzend op het feit dat het verrichten van loonarbeid veelal de oorzaak van schoolverzuim is, lichtte het voorstel toe met een beroep op art. 47 van het wetboek van strafrecht, volgens hetwelk als daders van een strafbaar feit ook gestraft worden zij, die een feit medeplegen. De werkgever toch, die gedurende den schooltijd een schoolplichtig kind te werk stelt, moet, mèt de ouders of verzorgers, beschouwd worden als mededader van het feit, waartegen in deze wet wordt te velde getrokken. — De minister wraakte de opvatting, dat de werkgever, door wien een kind gedurende den schooltijd te werk wordt gesteld, medepleger is, die zich mede-schuldig maakt aan overtreding der leerplichtwet: ware die opvatting juist, dan zou de werkgever immers reeds op grond van het aangehaalde artikel van het strafwetboek strafbaar zijn zonder nadere regeling. Overigens was de minister overtuigd, dat de verwezenlijking van het zeker aanlokkelijke denkbeeld, hetwelk aan het amendement ten grondslag lag, niet in deze wet. maar in de Arbeidswet op haar plaats zou zijn. — Tegen dit laatste voerde de lieer T r o e 1 s t ra aan, dat men, wil men een zaak, over een dergelijke bedenking heenstapt, terwijl daarentegen, wil men haar niet, molslioopen worden opgestapeld tot bergen. — De commissie van rapporteurs schaarde zich aan de zijde van den minister. Eenerzijds meende ook zij, dat in de Arbeidswet de zaak goed zou te regelen zijn, omdat daarin kan worden opgenomen een algemeene bepaling, volgens welke een werkgever een schoolplichtig kind niet mag te werk stellen gedurende de schooluren. Anderzijds oordeelde zij, dat in deze wet de zaak niet behoorlijk kon geregeld worden. Volgens liet amendement, ook in zijn laatsten vorm, zou de werkgever eiken dag, waarop hij het kind te werk stelt, moeten onderzoeken en zich moeten vergewissen, of voor dien

Sluiten