Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terstond bij den eersten? De Hooge Raad beantwoordde deze vraag in eerstgemelden zin.

J. J. W. J. te R. had den 7 Mei 1901 een aanzegging gekregen van den schoolopziener, dat de administratieve behandeling zijner overtredingen met betrekking tot zijn zoon Alexander was afgesloten. Niettemin verzuimde de jongen den 25 Mei en den 1 Juni de voormiddagschooltijden. Deswegens gedagvaard werd de vader door den kantonrechter te Roermond van rechtsvervolging ontslagen, omdat wat het Openbaar Ministerie ten laste legde wel bewezen maar niet strafbaar was.

De kantonrechter overwoog:

„dat omtrent diens zoon slechts twee verzuimen gedurende twee achtereenvolgende maanden aan den beklaagde waren ten laste gelegd en bewezen verklaard; dat in den zin der Leerplichtwet voor de toepassing dezer wet noodig is een niet geregeld bezoeken der school door de leerplichtige leerlingen; dat art. 2 tweede lid dier wet bepaalt, dat het schoolbezoek geacht wordt geregeld plaats te vinden, indien gedurende twee achtereenvolgende maanden niet meer dan twee schooltijden zonder geldige reden verzuimd zijn; dat de beklaagde derhalve voor de twee ten laste gelegde en bewezen schoolverzuimen niet strafbaar is volgens de bepalingen der Leerplichtwet, en dat daartegen ook niet bij eene andere wet of wettelijke verordening wordt voorzien;"

en toen de ambtenaar van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis in cassatie kwam, vereenigde zich de Hooge Raad ') geheel met deze beschouwingen.

Nu had de ambtenaar van het Openbaar Ministerie nog een ander bezwaar aangevoerd tegen het vonnis van den kantonrechter te Roermond. Wanneer, zoo redeneerde hij. iemand de aanzegging van den schoolopziener krijgt is dit een bewijs, dat hij al bezig is zijn verplichting niet na te komen om het kind geregeld ter school te zenden, „dat hij dus de overtreding van art. 1 en art. 6, 2° der Leerplichtwet plegende is", en dat hij dus, als het kind binnen de bepaalde termijnen doorgaat met het schoolverzuim, de overovertreding blijft plegen. De ambtenaar wilde dus de verzuimen vóór en na de aanzegging aaneen knoopen tot één voortgezette overtreding. Ook deze opvatting verwierp de Hooge Raad, bij hetzelfde arrest overwegende:

„dat in het stelsel der Leerplichtwet streng moet worden onderscheiden tusschen de in art. 21 omschreven maatregelen ter beteugeling van de eerste en voorkoming, zoo mogelijk, van verdere schoolverzuimen, waaruit van ongeregeld schoolbezoek blijkt, en de strafrechtelijke vervolging van verzuimen, waarvan door den arrondissements-schoolopziener ingevolge art. 21 § 4 proces-verbaal wordt opgemaakt, indien deze zijn gepleegd binnen 6 maanden nadat over-

1; Arrest van 16 Dec. 1901. W. 7»>95.

Sluiten