Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geteekende mag toch ook dezen aanval niet geheel met stilzwijgen voorbijgaan, vooral omdat de beschuldigingen hier zoo worden geformuleerd, dat ze allicht eenigen indruk zullen maken. Men was wel zoo welwillend aan te nemen, dat het nog slechts een minderheid is die door gevoelens en houding ergernis geeft, maar die minderheid heeft het ook hard te verantwoorden. „Men wees op den strijd van de onderwijzers tegen de schoolhoofden, op de weigering van sommigen om tot de kroningsfeesten mee te werken; vooral op de ongodsdienstige en gevaarlijke meeningen, door de onderwijzers geuit."

Het schijnt niet overbodig die grieven — nu althans eenigszins nader omschreven — eens van naderbij te beschouwen. Zonderling klinkt al terstond het verwijt, dat er door onderwijzers strijd wordt gevoerd tegen de schoolhoofden. Een feit is het, dat vele (klasse)onderwijzers en ook sommige schoolhoofden propaganda maken voor eene schoolregeling, zooals die in een deel van Zwitserland bestaat en dit eigenaardige heeft, dat de klasseonderwijzers er een hooge mate van zelfstandigheid en dientengevolge ook een veel grootere verantwoordelijkheid hebben voor de hun opgedragen taak. Ondergeteekende zal dat stelsel niet in bescherming nemen, maar ook zij, die het afkeuren, scherp veroordeelen zelfs, hebben daarom toch nog geen recht tot de bewering, dat iemand, die deze denkbeelden is toegedaan, geen vertrouwen verdient en geen goed onderwijzer kan zijn.

De tweede grief betreft de weigering van sommige openbare onderwijzers om tot de inhuldigingsfeesten mede te werken. Het verslag werd opgemaakt, voor dat die feesten plaats hadden, en waarschijnlijk heeft men, dezen regel neerschrijvende, het verzoek van sommige onderwijzers om toch geen dwangmiddelen toe te passen op hen, die zouden weigeren, aangezien voor eene formeele weigering. Het moge waar zijn, dat er enkele onderwijzers geweest zijn die niet mee wilden doen, maar dit zijn dan toch groote uitzonderingen geweest. Ook in de onderwijzerswereld was de geestdrift voor de Koningin, de lust om door feestviering aan de gevoelens van gehechtheid uiting te geven, groot — en er is zelfs geen enkele reden om aan te nemen, dat de opgewektheid om tot de inhuldigingsfeesten mede te werken bij de openbare onderwijzers minder is geweest dan bij de bijzondere.

Blijft alleen over de klacht over het uiten van ongodsdienstige en gevaarlijke meerlingen. Die klacht wordt zoo dikwijls herhaald, dat velen er aan gaan gelooven. Is er een openbaar onderwijzer, wiens houding terecht aanleiding geeft tot ergernis, dan wordt terstond gezegd: en aan zulke onderwijzers wil men nu, dat wij onze kinderen toevertrouwen! Alsof het niet zeer natuurlijk is, dat in een zoo groot corps allerlei elementen voorkomen. Er zijn ongeschikte onderwijzers onder de openbare, maar is dat niet evenzeer het geval bij het bijzonder onderwijs ? Alleen als de Regeering de werkelijk slechte onderwijzers de hand boven het hoofd ging houden, zou men haar — en nog niet eens het openbaar onderwijs als zoodanig — daarvan een grief kunnen maken. Maar het gaat niet aan, allen, die socialist zijn of Multatuli vereeren, of de theorie van Darwin onderschrijven of omtrent godsdienst andere meeningen zijn toegedaan dan de voorstanders van kerkelijk onderwijs, eenvoudig als slechte en gevaarlijke onderwijzers te qualificeeren. Ondergeteekende is overtuigd, dat de leden, die hier aan het woord zijn, aan de Regeering gekomen, voor de consequentie van hun eigen theoriën zouden terugdeinzen en niet

Sluiten