Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

streken in het land waar gedurende enkele tijden van het jaar kinderarbeid op het veld bezwaarlijk geheel kan worden gemist; nu zonder groot bezwaar door vrijstelling binnen zekere grenzen aan die behoefte kan worden tegemoet gekomen, zou het doctrinaire en onverstandige politiek zijn die medewerking te weigeren alleen op grond van een vooropgesteld beginsel. Het recht der kinderen op goed onderwijs wordt volstrekt niet betwist, maar wel wordt betwist, dat door de hier bedoelde vrijstellingen met dat beginsel in strijd zou worden gehandeld. Op zich zelf is het zeker wenschelijk, dat de kinderen, behalve in de gewone vacanties, het geheele jaar door naar school gaan, maar als men op dien regel geen uitzondering toelaat zelfs in die gevallen, waar dit in het belang van den landbouw en in het belang ook der ouders op goede gronden dringend wordt gevraagd, dan loopt men gevaar een wet in het leven te roepen, die in tal van kringen van den beginne af impopulair zal zijn, wat in hooge mate een goede uitvoering zou belemmeren. Bovendien mag men niet vergeten, dat art. 10(nieuw art. 13) in dien geest is ontworpen, dat de mogelijkheid van vrijstelling gedurende eenige weken indirect zeer zal meewerken, om gedurende den overigen tijd van het jaar overtredingen der leerverplichting tot een minimum te reduceeren, daar alleen de leerlingen, die overigens geregeld de school bezoeken, voor vrijstelling in aanmerking komen.

*Moet echter eene concessie aan de belangen van den landbouw gedaan worden, dan zouden deze leden de voorkeur geven aan het Kngelsche half-time stelsel.» De redenen van die voorkeur worden niet genoemd. Aan ondergeteekende wil het voorkomen dat de ervaring,&in Engeland met dat stelsel opgedaan, juist niet tot navolging noopt. Het aantal «halftime scholars» vermindert aldaar dan ook steeds en bedroeg in het schooljaar 1897 slechts 110.654. Veel beter schijnt het een korten tijd van het jaar aan hen, die dat verlangen, geheel vrij te geven, en den overigen tijd van het jaar zoowel des vóór- als des namiddags voor allen school te houden, dan een regeling in te voeren, waardoor het onderwijs meer wordt geschaad en het belang van den landbouw minder tot zijn recht komt.

Tegenover die enkele leden stonden dan ook anderen, die meenden dat in het ontwerp met de belangen van den landbouw nog niet voldoende rekening was gehouden. Naar de meening dezer leden kon er te minder bezwaar zijn nog op ruimer schaal ontheffing te verleenen, «omdat de veldarbeid voor kinderen geenszins ongezond is, en zij integendeel na dien arbeid verfrischt en met nieuwen moed ter school komen.»

In die optimistische voorstelling kan ondergeteekende niet deelen. Dat kinderen van deelneming aan veldarbeid zelden nadeel ondervinden, zelfs niet als die arbeid maanden achtereen wordt voortgezet, kan hij geenszins beamen. Afgescheiden nog van de verwildering, die op den duur niet uitblijft, kan niet worden ingezien, dat het voor de physieke ontwikkeling van jeugdige kinderen gewenscht is, dat zij maanden achtereen bij elke weersgesteldheid, bij nat weer of in een drukkende atmosfeer, alle soorten van veldarbeid — waaronder zeer zwaren — gaan verrichten. Maar zelfs al ware het gezondheidsbezwaar van weinig beteekenis, dan zou toch de vrijstelling niet langer mogen worden toegestaan dan strikt noodzakelijk is, alleen reeds op dezen grond, dat de kinderen op dien leeftijd op de schoolbanken te huis

Sluiten