Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 4.

van een handeldrijvenden, inzonderheid kleinen, Staat, om den buitenlandschen omgang en de volksvermeerdering te begunstigen, schijnt hun voorname drijfveer

te ziin geweest. , ,

Welke regten verzekert onze Grondwet aan en

vreemdeling ? .. ,

Ten zijnen aanzien gelden, dunkt mij, evenzeer*

ten aanzien van den ingezeten art. 164, 165, 172, 166, 167, 169, 170, 172, 168, lb2, 163.

over 't algemeen mag, krachtens art. 4, bij de publiekregtelijke instellingen tot bescherming van persoon en goederen, zoo als bij de vormen of voorwaarden van strafvordering, noch door de wet, nochdoo het Bestuur, onderscheid worden gemaakt tusschen den vreemdeling en den ingezeten. Insgelijks zijn, ten gevolge van art. 4, op den eersten toepasselijk art. 149 158, 159, zoo verre het namelijk om de in art. 4' genoemde aanspraak te doen is; voorts art. 188, 191, 194 eerste alinea, en art. 225.

Mag de vreemdeling aan de grens worden afgewezen ? Mag hij worden uitgezet of uitgeleverd . Het artikel spreekt van binnenkomen niet. bene

maet van eigendunkelijke afwijzing schijnt met te min

met het beginsel van art. 4 strijdig ». Het wil ons grondgebied openen; en die magt strekte om te s ten Die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden: slaat niet enkel op vreemdelingen, maar desgelijks op de ingezetenen. Mag men uit die woorden opmaken, dat het Gouvernement het inkomen

Zie mijn opatel in het Regtegel. Bijblad, nitgeg. door den Tex en Tan Hall, 1839. p. 516 gq.

Sluiten