is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanteekening op de grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 4.

aan den vreemdeling kan verbieden, de gevolgtrekking is even juist, dat de ingezeten, van buiten wederkeerende, kan worden afgewezen. Inderdaad verhindert het artikel de werking niet eener wetgeving van politie, die aan ieder, welke verlangt te worden binnengelaten, de vervulling van zekere voorwaarden, b. v. het wettig bewijs, wie hij is, oplegt. Doch dat die regels voor den vreemdeling en den ingezeten gelijk zijn, dit schijnt art. 4 te eischen.

Uitzetting of uitlevering is op den vreemdeling niet toepasselijk, dan in zoo verre ook de ingezeten er voor bloot staat. Niet alleen de geest, ook deletter van art. 4 brengt dit, dunkt mij, mede.

De meerderheid van de Tweede Kamer der Statengeneraal heeft evenwel, blijkens hare verhandelingen v. 23 Dec. 1817 en 22 Jan. 1818 l, en 28 Nov. tot 2 Dec. 1829 *, toen uitzetting van vreemdelingen door het Gouvernement niet onbestaanbaar geacht met de Grondwet11.

De mogelijkheid eener onvoorwaardelijke toepassing van het artikel ontkennende, raakte men met het artikel zelf verlegen. Immers, zoo art. 4 niet belet, dat een vreemdeling, anders dan de ingezeten, worde uitgedreven , welk onderscheid is er dan, ten aanzien van de bescherming aan vreemdelingen toegestaan, tusschen Nederland en de Landen, waar het beginsel van vreemdelingenregt, bij art. 4 vastgesteld, noch constitutioneel noch bij de gewone wetgeving ingevoerd

') Sto. 1818. n°. 15, 28. Bijvoegs. n°. 29-34.

"■) Stc. 1829. n°. 282-286.

3) Zie over de redenen dier meerderheid het aangehaalde opstel in het Regtsgel. Bijblad 1. c. p. 513 sqq.