Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 4.

sten 1. Ons artikel doet meer. Het stelt den vreemdeling , ten aanzien der bescherming van persoon en goederen, gelijk met den ingezeten. Moest men aan

de voorziening van zeldzame, doch mogelijke, gevaren

een beginsel opofferen, dat onzen Staat evenzeer tot eere strekt, als het door zijn belang wordt aangeraden ? Dit ware de wijsheid van den wetgever zoo min waardig, als wanneer hij het middel verzaakte, geschikt om een toekomstig misbruik van het grootmoedigste regt, dat hij gaf, te keeren.

Maar welk middel? Eene wet, als de Alien-act, kan, onder de heerschappij van art. 4, bij ons niet worden gegeven. Zij ware eene schorsing der Grondwet, waartoe liet alvermogende britsche Parlement bevoegd is, doch die, naar onze instellingen, buiten het bereik ligt van den gewonen wetgever.

Er blijft, zoo het bovenstaande betoog juist is, niet overig, dan bij art. 4 te voegen, dat aan de wetgeving wierd vrijgesteld om, in buitengewone gevallen, de volle werking van het artikel voor een zekeren tijd te schorsen, en het Gouvernement met die magt over de vreemdelingen te bekleeden, die

men noodig keurde.

Acht men het daarenboven in het belang des Lands en eener algemeene justitie, dat de Koning verdragen kunne aangaan met vreemde Mogendheden over de

') Zoo als de Constitutien doen van Meiningen v. 23 August. 1829 art. 18; van Keurhessen v. 5 Jan. 1831 art. 19 en van Saxen v. 4 Sept. 1831 art. 24 ; van Altenburg v. 29 April 1831 art. 94-98; van Brunswijk v. 12 Octob._ 1832 art. 28, 206. Vergel het Beijerscbe vreemdelingenregt in Edict üb. das Indigenat v. 26 Mei 1818 art. 16-19 coll. art. 4, 5.

Sluiten