Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 6

behelst de Grondwet geen regel hoegenaamd, dan dat elke provincie zal worden verdeeld in districten, art. -133. Door wie zal die verdeeling geschieden? Wie zal voorts de oefening van het kiesregt regelen ? De Grondwet beantwoordt deze vragen niet, ten zij men aanneme, dat het antwoord in art. 6 is opgesloten.

Niemand zal twijfelen, of de beschikkingen der provinciale en plaatselijke reglementen over het stemregt der kiezers waren, uit krachte van art. 7 der Grondwet v. 1815, evenzeer een deel der Grondwet geworden, als die over het kiesregt der stemgeregtigden. Wel nu, in de plaats van dat geheele deel der Grondwet treedt, volgens het herziene art. 6, de wet.

Men vrage, hoe de magt, die de provinciale en plaatselijke reglementen heeft gemaakt, er toe kwam, de regeling van het gansche kiesregt, door alle trappen heen, in de reglementen op te nemen ? Men zal zeggen: op grond van art. 6. En volgens de verandering van dat artikel erft nu de gewone wetgevende magt de eigen taak, die het oude art. 6 aan de provinciale en plaatselijke reglementen had toevertrouwd.

Men mag hieruit, schijnt het, opmaken, dat niet alleen niets belet, het kiesregt in de steden en ten platten lande in zijn ganschen omvang, behoudens de aangestipte uitzonderingen, aan de wet, bij art. 6 verordend, te onderwerpen, maar dat de Grondwet het niet anders wil. Hoe ver breidt zich dan de kring der wetgeving uit over de grenzen, tot hiertoe beschouwd ? Welke zijn, buiten de genoemde,

Sluiten