Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7.

De vorige Staatsregelingen kennen slechts ééne soort van inboorlingschap, waartoe eenvoudig geboorte binnen de Republiek », of ook in de koloniën of bezittingen van den Staat wordt geeischt 2. De Grondwet v. 4814 noemt enkel «Nederlanders" 3, zonder te zeggen wie het zijn. De bepaling van dat bijzonder inboorlingschap, welks voorwaarden art. 8 omschrijft, is eerst met de Grondwet van 1815 ontstaan.

De Staatsregel, v. 1798 gaf aan de inboorlingen geen ander voorregt, ten aanzien van de publieke bedieningen, dan met opzigt tot het lidmaatschap van het Uitvoerend Bewind 4. De volgende Staatsregelingen strekten dat voorregt al verder en verder uit. Volgens die van 1801 moesten inboorlingen zijn, niet alleen de leden van het Staatsbewind (art. 29), maar ook die van het Wetgevend Ligchaam (art. 54), van de departementale Besturen (art. 62), van het Nationaal Geregtshof (art. 90), en van het Nationaal Syndicaat (art. 99); volgens de Staatsregel, v. 1805, behalve de leden van de vergadering van H. H. M. (art. 19), en van het Nationaal Geregtshof (art. 78),

zetenen, geboren binnen het Rijk of deszelfs buitenlandsche bezittingen, uit ouders aldaar gevestigd.

Die uit zoodanige ouders, ter oor zake van's lanas dienst af toezend, of anderzins op reis zijnde, buiten het Kijk neboren zijn, worden met de vorigen gelijk gesteld

') Staatsregel, t. 1798 art. 11", Bijlage, Regiem. Lett. C. art. 2. Staatsregel, v. 1801 art. 24 n°. 3. art 29 .

2) Staatsregel. y. 1805 art. 19. 42. Constitut v. 1806

art. 30. 52.

3\ 59

<) Volgens Bijlag*, Regl. Lett. C. art. 2, moeten de leden van het Uitvoerend Bewind geboren zijn binnen de Republiek

Sluiten