Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7.

die van den Staatsraad (art. 44), zoo als de Raadpensionaris (art. 42); volgens die van 1806 art. 30 ook de Ministers van Staat x. Maar al die Staatsregelingen vorderden, tot het bezit dier voorregten. boven het inboorlingschap in den wijderen zin, waarin zij het verstaan, inwoning hier te lande gedurende een zeker aantal van jaren vóór de benoeming; een vereischte, dat de Grondwet van 1815, zonder bepaling van jaren, heeft behouden. Aldus sloot zij zich onmiddellijk aan de vroegere Staatsregelingen. De Grondwet v. 1814 2 toch legde aan de «Nederlanders" enkel het voorregt toe van verkiesbaarheid tot leden van de vergadering der Statengeneraal. De Schets van Hogendorp eischte, in hen, zelfs de hoedanigheid van Nederlander niet.

Dan beantwoordt art. 8, nu het geene inwoning van een zeker aantal jaren eischt, wel aan het doel? Iemand, hier te lande geboren uit ouders hier gevestigd, zij vervolgens van zijne geboorte af uitlandig; hij zal evenwel benoembaar zijn tot de eerste bedieningen, mits hij op het oogenblik der benoeming ingezeten zij. Hij kan dus aan het Land vreemd zijn geworden. En is niet de ware grond van het voorregt, bij art. 7 "verleend, dat men bij hen, aan wie het wordt toegekend, eene grootere gemeenzaamheid met Land en volk en Staat onderstelt, dan bij de

') Volgens art. 11 konden over 't algemeen de ambten en bedieningen van Staat, bniten diegene welke behoorden tot de persoonlijke dienst van het Huis des Konings, slechts aan Nationalen worden toevertrouwd. Voeg daarbij art. 24.

Art. 59.

Sluiten