Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 8.

Tot dus verre schijnt naturalisatie zoo min, als wetduiding, toepasselijk. Wilde men beweren, dat het constitutioneel keizerlijk regt. om te naturaliseren overgegaan is op den Koning, men vergat, dat het staatsregt van het Keizerrijk door onze Grondwet wordt uitgesloten. De gevolgtrekking uit art. 9, alsof het, den Koning voor een jaar magtigende om het volle inboorlingschap te verleenen, daardoor aan de Kroon het regt tot de naturalisatie, in art. 8bedoeld, ook na dat jaar zou hebben toegekend, is meer dan gewaagd. Wat toch heeft de bijzondere reden, waarom aan den Koning die buitengewone magt werd gegeven, gemeen met den grond, op welken het regt om te naturaliseren in 't algemeen aan den Koning zou worden of zijn geeigend? Al had de Grondwet dit regt gevestigd in de wetgeving, niets belette, art. 9 er nevens aan te nemen. Art.9 bindt daarenboven de uitoefening der voorbijgaande

halen. Z. het Senatuscons. organ. du 26 Vendémiaire an XI (Bullet. d. L. III Série T. VII. n°. 224. p. 65, 66), du'19Févr.

1808 (Bullet d. L. IV Série T. VIII. n°. 181. p. 103, 104. Vergel. Ordonnance du 4 Juin 1814 bij Merlin Répert. Addit. T. XVII. p. 216. Vergel. ook het keizerl. Decreet v. 17 Maart

1809 (Bullet. IV Série T. X n°. 229. p. 96, 97.) en Loi du 14 Octob. 1814 (bij Merlin, 1. c.). De noodzakelijkheid eener wet op do naturalisatie is door ons Gouvernement zelf erkend, daar, volgens het berigt in de Weegschaal 1821 n°. 11 p. 409, 410, in onderscheidene koninklijke Besluiten op verzoekschriften om naturalisatiebrie ven , althans vroeger, wordt gelezen: „dat de suppliant wordt gehouden door diligent, tot «dat na de invoering der Burgerlijke wet, de bepalingen zul»len bekend zijn, welke bij het onderzoeken en toestaan van «verzoeken om naturalisatie voortaan hier te lande zullen moeten »worden gevolgd."

Sluiten