Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 51, 52, 53.

Op verlangen van den graaf de Mérode liet men eerst en bovenal weg, dat de Crrondwet v. 1814 reeds had1; doch men laschte in, aan wie de eed zou worden gedaan: aan het nederlandsche volk.

Het formulier, denkelijk in het fransch ontworpen, heeft bij de overbrenging geleden. De uitdrukking van Hogendorp en van den eed v. 1814, dat de Vorst de onafhankelijkheid van den Staat zou bevorderen werd verbeterd. Daarentegen is geheele uitgestrektheid eene misselijke vertaling van intégnté. Wanneer de Koning moet zweren, de geheele uitgestrektheid van het grondgebied met al zijn vermogen te zullen verdedigen en bewaren, kon hieruit wel eens het besluit worden afgeleid, dat het ongeoorloofd ware tot den minsten afstand, ja tot eene grensregeling, anders dan in den uitersten nood en volstrekt gedwongen, de hand te bieden.

Men kan bij het ontwerpen eener zóó gewigtige Terklaring, als een vorstelijke eed is, tweederlei beginsel volgen. Of men vat alles in éénen volzin van weinige woorden te zamen. Of het wordt eene beknopte opsomming der hoofdpligten van het koningschap. Zulk een plan ligt bij ons voorschrift ten gronde. Het geheel behoort dan volledig, elke zinsnede de treffende uitdrukking van een juist en helder begrip, ieder woord onmisbaar, het regte, krachtig en kenmerkend te zijn. Voldoet art. 52 hieraan ? Inzonderheid de woordenstapel: dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de reg ten van

') Zie Raepsaet, Journal, 1. c. p. 81.

7*

Sluiten