Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 59.

Doch in art. 59 is er nevens gevoegd: bij uitsluiting. Omvat uit dien hoofde opperbestuur in art. 59 meer, dan er ligt in de woorden van gelijke beteekenis van art. 56 , 58 en 60? Is bij uitsluiting

eene versterking ?

Men zal dit niet voor aannemelijk houden. Ut men

zegt: de Koning en niemand anders heeft het opperbestuur, dan eenvoudig: de Koning heeft het opperbestuur, komt op 't zelfde neder. Of zal men gelooven, dat de regten, in opperbestuur, volgens den wezenlijken zin van het woord, begrepen, daardoor, dat zij aan een persoon bij uitsluiting worden geeigend, een wijderen omvang verkrijgen, ja van natuur veranderen of in regten van wetgeving overgaan ?

Zoo men onder de woorden, bij uitsluiting, niet aan iets heeft te denken, dat bepaaldelijk wordt uitgesloten, zijn die woorden onnut. Eer men het laatste onderstelt, moet men zoeken naar het eerste.

Aan de Statengeneraal kan niet zijn of worden gedacht. Want dezen zijn geen besturend Ligchaam.

Bij uitsluiting is, zoo als geheel de eerste alinea van ons artikel, ontleend van de Grondwet v. 1814 art. 36 x. De Schets van Hogendorp zeide, art. 12, zonder die inlassching: »de Souvereine Vorst heeft »het bestuur over de koloniën en bezittingen vin »den Staat in andere werelddeelen." Men herstelde bij de Grondwet v. 1814 de bewoording van art. 36

') De souvereine Vorst heeft, bij uitsluiting, het opperbestuur over de koloniën en bezittingen van den Staat in andere werelddeelen. ..

Sluiten