Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 71, 73.

den hetzij aan publieke ambtenaren, hetzij aan leden der onderscheidene geconstitueerde Magten, hetzij eindelijk aan, door kunde en braafheid, meest uitmuntende ingezetenen. Doch zij hadden geen ambtsinkomen, en geene zitting, tenzij door den Koning in den Raad geroepen. Art. 9. En de Koning verklaarde, op den 1,UD Januarij van ieder jaar uit hen allen te zullen vaststellen de lijst van dertien bij hem residerende leden, die dan het volgende jaar door anderen konden worden vervangen. Art. 10. 11. Deze afwisseling daargelaten, is het geheele decreet opmerkzaamheid, ja behartiging, allezins waardig. Men is te vrijer, er zijn voordeel mede te doen, daar onze Raad van State lot dus verre niet meer heeft dan eene voorloopige, hoogst onvolledige Instructie'.

Dat buitengewone Staatsraden, in den Raad geroepen, er stem kunnen hebben, schijnt door vergelijking der tweede alinea van art. 73 met de tweede alinea van het volgende artikel bewijsbaar2. Maar kunnen zij bestendig, kunnen zij anders dan in enkele gevallen, of voor bepaalde onderwerpen van raadpleging, in het collegie zitten? Dit is niet aannemelijk. Zij zouden dan inderdaad leden van den Raad zijn. De bepaling van het maximum in de tweede alinea van art. 70 kon aldus worden verijdeld. Het getal wierd dan willekeurig vermeerderbaar. Men

') Het is de provisionele Instructie voor den Raad van State v. 6 April 1814 n°. 2, geamplieerd door het Besluit v. 7 Junij 1829 n°. 4.

") Het schijnt ook de bedoeling der Commissie v. 1815 te zijn geweest. Zie Raepsaet, 1. c. p. 83.

Sluiten