Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 93.

lichting te geven? Waarom is het hem dan niet verboden , de inlichtingen te geven, door de Afdeelingen begeerd, of te antwoorden, wanneer hem door de leden der Kamer, bij eene algemeene discussie, vragen worden gedaan?

Indien het Besluit v. 8 Junij 1820 het omgekeerde van 't geen het deed, had verordend, indien het de gemeenschap tusschen de ministers en de sectien der Kamer had afgebroken, zou men voor zulk eene beperking veeleer reden kunnen vinden.

Op welken grond gelast § 1 van het Besluit; v. 17 Maart 4841 de ministers, aan te nemen en te beantwoorden de aanvragen om inlichtingen, welke voor het onderzoek van de geloofsbrieven der nieuw in omende leden door eene der Kamers noodzakelijk mogten zijn geoordeeld? Het is duidelijk; omdat de Kamers haar grondwettigen pligt anders niet konden vervullen. Waarom moet dit beginsel slechts in ï ééne geval, waarom moet het niet in alle soortgelij e

gevallen eveneens werken?

Het is een valsch denkbeeld, dat met het geven van een door de Kamer verlangd berigt of antwoord het gouvernement of de minister wierd vernederd. Het kenmerkt integendeel hun hooge roeping; want het is een deel der wederkeerige hulp, we e e hoogste Magten van den Staat, bij het volbrengen arer taak, elkander schuldig zijn.

De minister is de gewone onderhandelaar tusschen de Kroon en de Kamers. Hij is verantwoordelijk. Zoo dit iets beteekent, het beteekent in de eerste plaats, dat hij antwoord geve; antwoord niet enkel voor den regter, maar bovenal aan de Statengeneraal

Sluiten