Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 94.

de Schets art. 38 in, denkelijk afgegaan op een niet wel toegepast begrip van afscheiding der regterlijke van de wetgevende magt. Alsof dit begrip kon eischen, dat bijzondere leden van regterlijke collegien niet in de wetgevende Vergadering, en, omgekeerd, leden van deze niet in regterlijke collegien zaten! Ook besloot de Commissie v. 1815, na eerst het verbod der Grondwet v. 1814 te hebben goedgekeurd 1, bij nader inzien het op te heffen s.

Toen men in 1840 de Grondwet herzag, begeerden de Afdeelingen der Tweede Kamer schier eenparig 3, dat de vergissing der wetgevende magt wierd hersteld door opneming der eerste alinea van art. 9 der wet v. 28 April 1835 in de Grondwet. Het oordeel, of dit te regt zou geschieden, hangt van de reden der uitsluiting af.

Art. 4 c en d van het reglement omtrent de zamenstelling van de provinciale Staten verklaart het lidmaatschap van den Hoogen Raad, gelijk alle ambtsbetrekking van openbaar ministerie of andere bij dat collegie, onvereenigbaar met het lidmaatschap der provinciale Staten. Zie op Art. 6 bl. 38 , 39. Moet de eerste alinea van art. 9 der wet v. 28 April 1835 worden beschouwd als eene aanvulling van dat voorschrift? Alsdan ware de grond bij analogie te zoeken

') Raepgaet, Journal, p. 85, 86.

") Ibid. p. 111: «Les membres des cours et des tribunaax »penvent en faire partie, sans cela, ce serait une espèee d'hn«miliation pour les magistrats, et 1'on exclnrait les hommes les «plus capables et les plus propres pour la confection des lois.'' 3) Handelingen, I p. 49. 88. 113. 138.

Sluiten