Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 106.

door zamenstemrning van den Koning en het Wetgevend Ligchaam'.

De Grondwet ontleent het begrip van wet enkel van den persoon, die haar maakt. Zij heeft de vraag opengelaten, wat moet bij ons door eene wet, en wat kan op eene andere wijze worden vastgesteld? Even als andere Grondwetten, heeft zij zich onthouden , het eigenaardig onderwerp der wette omschrijven.

Welke is dan de weg om, tot dat eene volledige praktijk alle twijfeling heeft weggenomen, gene vraag in de bijzondere gevallen te beantwoorden? De Grondwet verordent hier en daar, aangaande zekere onderwerpen, dat zij moeten worden geregeld bij de wet. Waarom gebiedt zij, in die stukken, dien vorm? De redenen kunnen een wegwijzer zijn. Zoo zij dus eene regeling niet uitdrukkelijk eigent hetzij aan de wetgevende magt, hetzij aan de Kroon alléén, of eenig ander gezag, zal gelijksoortigheid, van grond en wezen. aan de beschreven onderwerpen ten aanzien der onbeschrevene moeten beslissen.

De poging, die men in de Commissie v. 1815deed, om de grenzen der uitvoerende met opzigt tot de wetgevende magt te bepalen, mislukte2. Ware men geslaagd, er zou mede eene omschrijving, zoo al niet van het begrip van maatregelen van inwendig bestuur3,

') En er bijgevoegd: De Koning kan in sommige gevallen door de Wet speciaal worden geauthoriseerd. om het wetgevend gezag zonder medewerking van de Vergadering van H. H . M. uit te oefenen.

■) Zie Raepsaet, Journal, p. 69, 70 en boven bl. 106, 107. 3) Z. op Art. 72 bl. 180, 181.

Sluiten