Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 123, 124.

bestendig zouden worden geregeld. Dit was ook geen noodzakelijk gevolg van de wettige bestendigheid der uitgaven. Het voorbeeld, dat men voor oogen had van den ouden staat van oorlog, leidde er ook niet toe. Tegen de Petitie van den Raad van State stond geene begrooting van middelen over. Deze te vinden bleef aan de provinciale wetgeving geheel overgelaten.' Hoe of waaruit ieder Provincie hare bijdrage tot de asten der Unie voldeed, dat kon door de provinciale Jtaten telken jare naar verkiezing worden beraamd, kn zoo was het denkbaar, dat ook in het Vorstendom er Vereenïgde Nederlanden, nevens een vasten staat van behoeften, de middelen van jaar tot jaar aan eene nieuwe overweging wierden onderworpen.

Dit sneed de Grondwet v. 1815 af, terwijl zij bij art. 124 den regel, voor de uitgaven aangenomen, ook toepaste op de middelen '.

De gedachte, die bij de instelling, dus opgebouwd ten gronde lag, en het doel zijn niet te miskennen' Vele uitgaven eischen, uit haren aard, geen jaarlijksch overleg; was niet een blijvend stelsel ook der middelen, om haar te dekken, heilzaam? Men vereenvoudigde de raadpleging over de finantien, en bragt vastheid in haar huishouden.

Dan wat behoort voor tien jaren, wat slechts voor een jaar te worden vastgesteld ? Dat was de hoofdvraag, waaraan de verdeeling in twee begrootten na sedert 1831 buiten werking te zijn geweest" in' 1840 schipbreuk leed. De proef, bij het eerste tien-

') Raepsaet, 1. c. p. 164, 165.

Sluiten