Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 127, 128.

den onderstelde, kreeg men, in plaats van één, drieërlei kiesregt.

Dat van de ridderschap behoort in geen stelsel, oud noch nieuw.

Ten aanzien der steden en het platte land, welke de gansche bevolking insluiten, was tweederlei stelsel mogelijk. Het kiesregt werd of uitvloeisel van het burgerschap der individus; of toegekend aan de plaatselijke gemeenten. In het eerste geval persoonlijk, in net ander gemeente-regt.

Onze inrigting is een beginselloos mengsel van beide stelsels. De ongelijksoortige elementen zullen met elkander kampen, totdat een van twee bezwijke En aan, wie de overwinning zal verblijven, schijnt niet twijfelachtig.

Ware het, bij herziening der Grondwet, niet beter, dat is, met het wezen eener Grondwet overeenkomstig de geheele kiesinrigting voor de provinciale 7* aten te laten aan de wet? Bij voorbeeld eenvoudig te zeggen? De wet regelt de zamenstelling der provinciale Staten, wier leden worden gekozen door de ingezetenen.

Art' ^8'- Hoe wein'g men zich bij het verslas over de Grondwet herinnerde wat men in de Grond-

hl6 98 Wijkt °P nieuw uit de woorden

28. »Wij hebben het nuttig geacht, dat de be-

^ A'u„,128' jHet getal mn de leden der provinciale Sta-

standmwnrHf ™ * ™enJedi9heid eter verschillende

Manden, wordt geregeld door den Koning, die uit

elke provincie eene commissie benoemt om 'Hem dienaangaande te dienen van advies.

Sluiten