Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 130-132

een verschil van plaatselijke en provinciale behoefte of eigenschap, dat, met de individualiteit der onderscheidene stedelijke maatschappijen, was vervallen1.

Ziedaar een eerst hoofdbezwaar tegen het grondwetlig voorschrift. Het onderstelt eene oorzaak, die niet meer bestaat.

Een tweede bezwaar komt te voorschijn op de vraag, hoe, bij veranderde behoefte, de stedelijke regeerverrigting te veranderen 1 ?

De Grondwet v. 1815 nam bij art. 132, thans 130, art. 78 der Grondwet v. 1814 over met eenige wijzigingen, waarvan slechts ééne wezenlijk is. Art. /8 zeide, niet alleen dat de zamenstelling, maar ook, dat de «werkzaamheden" der stedelijke regeringen bij de reglementen, die het beschreef, zouden worden geregeld. De nieuwe Grondwet liet het laatste punt weg. Het kwam op de plaats, waar art. 79 in '1814 stond, wel, doch in de reeks, waarvan ons artikel een deel is, niet te pas. Hier toch wordt van de stedelijke regeringen niet met opzigt tot het bestuur der steden, maar van wege hare eigenschap van kiescoJlegien voor de provinciale Staten gehandeld. Zie

boven bl. 32 , 33.

De Grondwet vergenoegt zich niet, de zamenstelling der stedelijke regeringen over te laten aan de reglementen. Zij bond door voorschriften, die zij eerst in 1814 bij art. 79 en 80, dan in 1815 bij

') Yergel. Ov. de Herv. v. ons kiesst. p. 28. 106, 107. :) Ibid. p. 27 sqq.

Sluiten