Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 141.

de Landdrost de kosten. welke de ministers op de Rijksbegrooting bragten.

Dat het finantiële huishouden der provinciën Landshuishouding moest zijn, en dus aan ééne wetgeving onderworpen, was ook het beginsel van Hogendorp. Zijne Schets art. 42 stemde, ten aanzien van het onderwerp van ons artikel, in 't wezen overeen met de Staatsregelingen v. 1798, 1801 en 1805. De vorm echter, dien hij aan de voordragt der provinciale begrooting wilde geven, scheen ongepast, en werd door de Grondwet v. 1814 art. 84, ons artikel 141, verbeterd.

De kosten van het bestuur zijn tweederlei, zoowel die, welke door het bijzonder provinciaal belang, als welke door de uitvoering van algemeene wetten of andere algemeene maatregels worden gevorderd. Daar de Grondwet niet onderscheidt, wil zij beide soorten als een deel der Staatsbegrooting behandeld hebben; en erkent zij dus, in zoo verre, de provincie niet voor eene zelfstandige gemeente, maar voor een departement van algemeen bestuur.

Dan hoe in de kosten voorzien? De Staatsregeling v. 1801 art. 58 , 66 gaf aan de departementale Besturen het regt de middelen voor te dragen. Ook nog volgens de Staatsregeling v. 1805 art. 64 enöS1

»Binnenlandsche Zaken, van Jnstitie en Politie en van Financiën, doen toekomen eene opgave van kosten, welke hij zal »noodig oordeelen, zoo voor kosten der administratie, als voor «andere uitgaven in het Departement, ten einde de voorsehre»ven Ministers daarvan het noodig gebruik kunnen maken bij »het formeren der begrooting voor het volgende jaar."

') Vergel. Algemeen Reglement, boven bl. 69 noot 4 aangehaald, art. 47.

Sluiten