Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 146.

183« had de kennisneming van geschillen tusschen onderscheidene gemeentebesturen opgedragen aan het departementaal Bestuur, doch onvermindei'd ieders regt om zijne grieven en bezwaaren te brengen bij het Vertegenwoordigend Lichaam, bij het Uitvoerend Bewind, of voor het Geregtshof, daaromtrend bevoegd, naar gelang der zake. De Staatsregeling v. 1801, sprekende alleen van de beslissing der geschillen tusschen onderscheidene departementen °of tusschen een departement en deszelfs leden1, liet de beslissing der geschillen tusschen de gemeenten van eenzelfde departement stilzwijgend over aan de departementale Besturen, welke zich die ook, bij hunne reglementen3, straks toeeigenden. En zij werden er onder de Staatsregeling v. 1805, bij gehandhaafd'! Deze bevoegdheid kwam, door de wet v. 13 April 1807 art. 16, aan Landdrost en Assessoren. Landdrost en Assessoren moesten trachten alle geschillen tusschen plaatselijke Besturen of andere collegien en corporatien in het departement, voor zoo ver deze collegien tot geene andere verheven Administratie be-

lijke besturen in der minne bij te leggen. Indien zij daarin niet kunnen slagen, dragen zij het geval ter i beslissing voor aan den Koning.

'Lfj?,, nemen tennis van zoodanige verschillen, als tusschen Zfl h€tdene, Gen^ente Be8turen of andere ondergeschikte Collegien, m hun Departement mogten ontstaan, en vereffenen dezelven na verhoor van beklaagden, onverminderd enz. a £ • 64- * ergel- Reglement van Zeeland v. 1802 art. 59

TThLfcf * Rne|lemen' van art. 124. Vergel. die van

Utrech art. 97, van Overijssel art. 73, van Brabant art. 35

1805 teeq2 g voor de departementale Besturen

Sluiten