Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 152.

Aan de landelijke gemeenten is medewerking bij het benoemen harer overheid door de reglementen tot hiertoe niet gegund1. Men schijnt te hebben gedacht, dat men er de elementen eener kiesvergadering, welke voor gepaste keuzen borg ware, meestal niet zou vinden. De voorschriften van de onderscheidene Staatsregelingen tot 18062, omtrent de verkiezing door de gemeente, zijn in de meeste landgemeenten denkelijk niet in werking gebragt. En herdacht men de voormalige Republiek, zoo miste men in de landelijke gemeenten de antecedenten van eigen keuze of voordragt, waarop men zich in de steden kon beroepen. Ook zijn onze landgemeenten van eene te kleine bevolking3, om genoeg verscheidenheid van bekwame personen voor de Vertegenwoordiging en het bestuur doorgaans aan te bieden. Bij nieuwe verdeeling zou men welligt een getal van twee tot drieduizend ingezetenen tot regel moeten trachten te maken. Het is zeker geen gezonde Staatkunst, zelfbestaan te eischen van eene maatschappij, die er nog niet rijp voor mogt zijn. Maar met haar altoos aan den band te leiden, bevordert men ook de ontwikkeling niet. Een goed plan van regering rigt zich niet enkel naar 't geen men heden met oogen ziet, maar voedt op voor de toekomst \

') L. c p. 108 sqq.

:) Z. boven op Art. 130-132 bl. 33 sqq.

3) Ibid. p. 109.

*) Zie voorts aldaar, p. 108 sqq., en boven op Art. 130-132 bl. 48, 49.

Sluiten