Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 163.

Het is slechts de vraag, of, zoo een geding, aan welks uitsluitend privaatregtelijke natuur wordt getwijfeld, voor den regter komt, deze alleen regter zij over zijne bevoegdheid. Dit schijnt volstrekt onaannemelijk. Gelijk, volgens art. 88 der wet op het beleid der justitie, een hoogere regter oordeelt over jurisdictiegeschillen, dient even zeer een hooger gezag te beslissen waar tusschen regterlijke en andere publieke magt strijd is over bevoegdheid. Hier zoo min als daar kan men de uitspraak over bevoegdheid alleen laten aankomen op het gezag, welks bevoegdheid wordt betwist.

Het hooger gezag nu ter beslissing van wettigen twijfel, of eene zaak civiel dan administratief moet worden afgedaan, een twijfel die, waar art. 163 juist wordt begrepen en bij eene volledige wetgeving op 't geen de franschen droit administratif noemen, denkelijk hoogst zeldzaam zal voorkomen, kan [geen ander zijn dan de Koning. Natuurlijk moeten zoowel de vormen der oefening van dat gezag1, als zijne uitspraken door wettelijke regels worden bestuurd.

') Hierbij bepaalde zich de mislukte proef van regeling in het ontwerp v. 1842. Yergel. de Constitutie van Hannover v. 1833 § 156; van Bronswijk v. 1832 § 159, 195 sqq.; van het Keurvorstendom Hessen v. 1831 § 113; van Saksen v. 1831 § 47, 49, vergel. het saksische Competenzgesetz v. 28 Jan. 1835 en de wet v. 13 Jun. 1840, Archiv £. civilist. Praxis XXIII p. 297 sqq. ; zie ook de Grondwet van Wurtemberg v. 1819 § 59 n°. 3, en de Belgische Constitutie art. 106, die het Besluit der fransche Nationale Vergadering v. 27 Nov. 1790 volgde.

Sluiten