Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 175, 176.

te doen met misdrijven, door den wetgever zóó onderscheiden, dat de kenmerken der strafbare daad slechts van ééne eenvoudige soort, of althans van eene beperkte classe van handelingen, die weinig verscheidenheid toelaat, zijn ontleend. De wettelijke omschrijving blijft niet bij een afgetrokken begrip; zij volgt en groepeert de verschijnselen, die zich binnen den kring van het begrip kunnen voordoen. De wet vergenoegt zich niet, het onderwerp of regt, waartegen de misdrijven kunnen worden gepleegd, in 't algemeen aan te wijzen; maar zij beschrijft, ten zij soms de overtreding van bepaalde verordeningen als misdrijf worde bestempeld, de verschillende, een zelfde onderwerp rakende, handelingen in 't bijzonder; en deze beschrijving is uitsluitend regel voor de strafvordering en uitspraak. Doch de ministeriële misdrijven werden tot hiertoe niet vatbaar geacht voor eene andere bepaling, dan naar het onderwerp. En hoe wijd is dit! Het omvat het gansche gebied der Grondwet en gewone wetgeving, zooverre de ministers voor hare uitvoering of handhaving verantwoordelijk zijn. Eene verantwoordelijkheid, die zich uitstrekt niet enkel over al 't geen zij doen tegen de wet, maar over al 't geen zij kunnen en moeten doen om de wet te vervullen. Hoe meer bijzondere vormen van ministerieel misdrijf de wet optelde, des te onvollediger zou zij wezen. Is nu de gewone regterlijke overheid aan den regel, nullum delictum sine lege, gebonden in dien zin, dat zij niet bij gevolgtrekking uit een zeer algemeen begrip, als dat van ministerieel ambtsmisdrijf, mag vonnissen, mag zij niet bepalen wat de wetgever onbepaald liet, dan is zij ongeschikt

Sluiten