Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 192.

beginsel, dat elk kerkgenootschap zorgde voor het onderhoud zijnereeredienst, bedienaren en gestichten. Die v. 18011 regelde deze verpligting. Intusschen beloofde zij, tot aan het tijdstip waarop die verpligting zou werken, aan de ambtenaren der voormaals bevoorregte kerk, «zooverre die bij de aanneming dezer Staatsregeling in dienst zijn gesteld, en uit eenige politique «kassen worden gesalarieerd of gepensioneerd," het genot dier inkomsten2. De volgende Grondwetten zwegen. Maar het Besluit van Koning Lodewijk v. 2 August. 18081 verzekerde aan de predikanten van de hervormde godsdienst, zoowel als aan de roomschgezinde en luthersche geestelijken, hunne toenmalige inkomsten, te voldoen, zoo zij niet uit bijzonder eigendom van een godsdienstig genootschap sproten, door de publieke schatkist, die ook in de betaling der geestelijken van andere gezindheden, zooveel mogelijk, zou voorzien. Dezelfde regels nam het Besluit des S. V. v. 19 Jan. 1814 * voorloopig aan. De Schets van Hogendorp stelde bij art. 60 voor, het onderhoud der hervormde godsdienst, in zooverrede kerkelijke goederen niet toereikten, als van ouds te brengen tot last van »het gemeene Land." De andere godsdiensten zouden, volgens art. 61, de bescherming der regering genieten, en in zoodanige provincie of provinciën, waar de katholijken de meerderheid uitmaakten, zou ook het onderhoud van hun

') Art. 12.

5) Art. 14; vergel. art. 13.

s) Verzamel, v. Wett. VI p. 266 sqq., art. 1, 2, 3, 5, 8. 4) Bijv. tot het Stbl. 1813-14 I p. 61 sqq., art. 1, 2, 4.

Sluiten