Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 194.

het algemeene gouvernement van alle zorg ontsloeg. Het spreekt van zelfs, dat noch de Koning, noch de Staten, kunnen zorgen, waar de vereischte bescherming van dien aard mogt zijn, dat zij tusschenkomst van den burgerlijken of strafregter vordert; gelijk over 't algemeen geene andere, dan wettige, maatregelen van bescherming mogen worden genomen. Ware men hieraan steeds indachtig geweest, men had niet uit de magt van bescherming soms gevolgen afgeleid , alsof onze eerste alinea met de zorg, die zij aanbeveelt, een grenzenloos regt verbond1.

De vrijheid van uitoefening, die de Grondwet waarborgt: d. i. de vrijheid, waarop elk, volgens art. 191 toegelaten, kerkgenootschap aanspraak heeft. Vergel. art. 189, en het Strafwetb. art. 260.

De eerste alinea, welligt geschreven met het oog op art. 7 der fransche wet v. 18 Germinal an X 1,

') B v. toen bij de koninklijke Besluiten v. 5 Julij 1836 (Stbl. n°. 42) 2° o en v. 9 Jan. 1841 (Stbl. n°. 2) d van de zoogenaamde Afgescheidenen als voorwaarde der toelating de verklaring werd gevergd, »dat zij op eenige bezittingen, inkomsten of regten van »de Hervormde Kerk, of eenig ander in dit Rijk erkend kerkgenootschap, nimmer aanspraak zouden maken." Of toen in den zomer v. 1841 een katholijk geestelijke te Nijmegen, door de kerkelijke overheid ontslagen, op bevel der Gedeputeerde Staten van Gelderland uit de pastorij werd gezet (zie Stc. v 11 Octob. 1841). In dit geval toch kon de magt, welke de Koning uit art. 194 en de provinciale Staten uit art. 143 hebben , slechts met betrekking tot het kerkgebouw, en de godsdienstige handelingen, aldaar te verrigten, worden ingeroepen of werken.

2) Art 7 des Articl. organ. de 1* Convention du 26 Messidor an X (z. boven bl. 215 noot 1). »I1 y aura - recours au «conseil d'état, s'il est porté atteinte a 1'exercice public du culte

„et a la liberté que les lois et les réglemenB garantissent a ses

aministres."

Sluiten