Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 218, 219.

1805!, gevolgd bij de Grondwet v. 1814 art 128, verdeeld onder twee hoofden: zee- of rivierwaterkeerende 2, en alle overige werken.

Over de eerste had art. 11 van het reglement v. 1805 aan het algemeene Bestuur eene middellijke beheering toegekend, die bij onze Grondwetten is veranderd in toezigt, waarvan de strekking bij het tweede deel der eerste alinea van art. 218 wordt beschreven.

De Grondwet zelve bewijst, hoe ontoereikend het algemeene beginsel is, bij art. 215 aangenomen. Zij ziet zich gedrongen tot het treffen eener dading eerst in art. 216 met den regel, dat 't geen provinciaal is provinciaal moet worden bestuurd; en nu weder in art. 218 met de bestemming der werken zelve. Waarom toch brengt zij de zee- en rivierwaterkeerende werken onder het onmiddellijk toezigt, niet vervat in het oppertoezigt van art. 215, der algemeene directie? Blijkbaar, omdat zij die werken acht van algemeen belang 3.

Dat onmiddellijk toezigt kan, volgens de tweede alinea, bij uitzondering aan de Staten der provinciën worden opgedragen. Uit dienzelfden hoofde en in dezelfde hoedanigheid, als zoo even bij art. 216 werd aangemerkt. De Staten zullen dan werktuigen zijn van het algemeen bestuur.

') Art. 11, vergel. art. 12 sqq.; en Algemeen Reglement voor de departementale Besturen v. 1805 art. 29, 30; wet v. 31 Jan. 1810 (Bijv. tot bet Stbl. 1831 p. 344 sqq.) art. 1. :) Yergel. ook de Schets van Hogendorp art. 59.

') Yergel. art. 11 van het Reglement v. 21 Jonij 1805.

Sluiten