Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 220, 221.

ren, die vóór 1795 door eene publieke autoriteit werden benoemd.

Het artikel spreekt regtstreeks alleen van bestaande dijk- of watergenootschappen. Welk regt of welke taak hebben de Staten bij oprigting van nieuwe te vervullen? Dit moet nu bij gevolgtrekking uit het artikel worden opgemaakt, en het besluit zal onvolledig zijn. Beter, zoo de tekst dus luidde, dat hij even eens op beide gevallen sloeg. Doch hoe ook, het artikel zou altoos eene algemeene politiewetgeving zoowel over zedelijke ligchamen in 't gemeen, als over deze bijzondere soort, waartoe de wet van 9 Oct. 1841 i eene gewigtige bijdrage is, vorderen.

Art. 221 2 is, zoo als de twee volgende, nieuw. Men had echter, wat art. 221 betreft, een voorbeeld in art. 40 van het departementaal reglement van Holland v. 18U2 3.

l) Stbl. n°. 42.

*) Art. 221. De Staten hebben het toezigt over alle verveeningen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen, mijnwerken en steengroeven binnen hunne provincie.

De Koning kan, uit hoo fde van het groot-er en algetneen belang van zoodanige ondernemingen het onmiddellijk toezigt over dezelven aan de algemeene directie van den waterstaat, wegen en bruggen opdragen.

) «Het departementaal Bestuur ontvangt insgelijks, en neemt »kennis van alle Verzoeken of Voordragten , tot ontgronding en » verveeningen, en verleent ook daaromtrent, naar bevind, onder "de noodige voorwaarden en bepalingen, en voor zoo verre de "ontgrondde Landen zelve te gelijker tijd naar behoren moeten «worden verwaarborgd, met goedkeuring van het Staatsbewind, "de vereischte Octrooijen: het zorgt tevens, en ziet toe, dat zoo »wel dezen, als alle vroegere Octrooijen en Reglementen, daar»van reeds zijnde, richtig achtervolgd en naargekomen worden."

Sluiten