Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 230.

Zoo is het dan ook begrepen door de Tweede Kamer in 1840

Die de vergadering uitmaken: of moeten uitmaken? Aan het volle getal, 116, kunnen leden ontbreken.

Heeft men wél gedaan, bij ons artikel eene meerderheid te eischen van drie vierde, in plaats van zich met twee derde te vergenoegen ? Kan men het doorgaan eener verandering of bijvoeging niet al te moeijelijk maken? De grondwetgever vordert eene bijkans algemeene overtuiging. Zij zal het te dikwerf eerst zijn, wanneer het regte tijdstip tot invoering der nieuwigheid reeds voorbij is. In gewone omstandigheden, en daarop zijn de voorgeschreven vormen van herziening berekend, zal het oude, hoe nader aan sterven, des te hardnekkiger weerstand bieden. Welligt duchtte men in 1815 het vooruit streven of de veranderlijkheid onzer zuidelijke broeders.

Heeft men bij art. 230, toen men de Grondwet v. 1814 wijzigde, aan de nieuwe instelling van die v. 1815, de Eerste Kamer, gedacht? Moest niet zijn verordend, dat zoowel over het voorloopig wetsontwerp, als over de voorgestelde verandering zelve in eene vereenigde zitting der beide Kamers wierd besloten ? De Eerste Kamer verloor dan haar zelfstandig aanwezen. Maar wat is onredelijker, dan dat nu acht, ja zes leden der Volksvertegenwoordiging verandering, door Kroon en Tweede Kamer noodzakelijk gekeurd, kunnen tegenhouden?

Voor het overige wordt in alles gevolgd hetgeen

') Handelingen, oy. de herzien, d. Grondwet II p. 168 eqq.; vergel. I p. 351 sqq.

Sluiten