Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1.

met het eerste gedeelte, op zich zelf, een helder begrip hebbe verbonden. Gaf het den Koning builen die, welke hij uit de Grondwet zelve, tot hare uitvoering , reeds had, eene andere, buitengewone bevoegdheid? Geene dan die, welke bij het tweede deel van het artikel is uitgedrukt.

Het doel van de opdragt der eerste benoeming aan de Kroon was, zoo als uit den aard der zaak en de koppeling, ten dien einde, blijkt, de collegien of ambten, tot dadelijke werking der Grondwet onmisbaar , eer in aanwezen te brengen, dan de ligchamen, met de keuze of voordragt van het personeel door de Grondwet belast, konden zijn geformeerd. Hieruit volgt, dat na die formatie, of wanneer zij spoedig genoeg kon plaats hebben, het buitengewone regt der Kroon ophield. Zoodat b. v. de bevoegdheid des Konings, om in 1838 de leden van den Hoogen Raad en der provinciale hoven alléén te benoemen, niet kan worden afgeleid uit dit artikel, maar uit de onderstelling, dat art. 174 en 180 geen regt van voordragt erkennen, dan ten aanzien van reeds eenmaal vervulde plaatsen; eene onderstelling, bij het laatste artikel niet zoo onbetwistbaar, als bij het eerste.

Het schijnt niet twijfelachtig, dat het artikel na de eerste reize niet meer kon werken. Intusschen heeft de Kroon er zich in 1840 andermaal van bediend ten aanzien van Limburg en Holland, onder andere bij de Besluiten v. 6 en 10 October 1. Zoo dergelijke magt noodig was, men had baar bij de

') Stbl. n°. 67.

Sluiten