is toegevoegd aan uw favorieten.

Kalverstraat

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij liep met haar een smal weggetje langs, dat naar het duin luidde. Toen, aan den duinvoet, vóór ze begonnen te klimmen, ging zij op een hoogtetje zitten.

«Mijn mandje wordt zwaar... Wilt u ze eens zien, de vingerhoedjes?»

Ze sloeg het deksel op. Een twintigtal kleine, gemeniede potjes stonden recht op in 't rieten mandje en op de aarde der potjes bolden de kleine, hardgroene, behaarde knolletjes.

«Wat oolijke plantjes, hè? 't Zijn net ouwe mannetjes kopjes Er is zoo iets komieks in . .. ze zijn zoo pedant... is t niet om te gillen, als je daar die kale knikkertjes bij elkaar ziet. . .»

Zij lachte helder in de stille lucht. Hij lachte ook mee.

„Dat is de humor van de natuur. De natuur is als een menschelijk gemoed. Er is tragiek, er is lusteloosheid en er is humor in de natuur. Ik kan soms uren kijken naar de sprongen van een jong geitje in de wei. Vaak, als ik in de oogen der dieren zie, is het mij, alsof ze iets van mij begrijpen. Den eersten ezel, dien ik schilderde, is mij altijd in t geheugen gebleven. Dat goede dier heeft uren achtereen onbewegelijk gestaan. Het was, alsof hij wist, wat ik van hem wilde. Later heb ik meer bemerkt, dat er bij dieren een zekere samenhang bestaat met de ziel van den mensch, die hun toegenegen is.»

«Ja, maar die cactussen hier zijn toch niet bewust van hun grappigheid. Het grappige, dat ze hebben is voor ons grappig,

niet voor hen.»

«Zoo, zoo . . . je denkt goed, je denkt buitengewoon goed voor een vrouw . . . zoo is het precies . . . Die cactussen bestaan niet op zichzelf... Die bestaan alleen voor zoover wij ze zien

en zooals wij ze zien. . .»

«Ik begrijp u niet. . . Neen. leg het mij niet verder uit . . . Dat begrijp ik toch niet. . . Kom, wij moeten onzen ruiker plukken * . . Draagt u het mandje maar ...»

Hij liep tegen het duinpaadje op en zij volgde dartel en gelukkig. Toen ze boven op het duin stond, zag ze opeens hoe ver ze zich nog uitstrekten met bergen en dalen en heel in de verte sloot een hoogere duinkam, blauwgroen bewaasd, den einder af.. .

«Hemeltje, watis dat ver... En waar is nu uw lievelingsplekje?..»