Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk VI.

Harry Hirschfeld was twintig jaren geleden doodarm uit Frankfort a.M. naar Amsterdam gekomen. De verschrikkingen van die reis zouden hem levenslang bijblijven. Want hij had geen geld genoeg gehad om het geheele traject met den trein te maken, was na een reis in vierde- en derde-klasse waggons, telkens moetend overstappen, een eindelooze reis, tijdens welke hij niets anders genuttigd had dan een paar broodjes, die een haastig reiziger te Keulen op de bank had achtergelaten, te Arnhem uitgestapt met zijn klein wasleeren handkoffertje, waarin een beetje wasgoed was en dat toch zoo zwaar werd bij 't dragen, omdat het handvat had losgelaten. Van Arnhem was hij te voet naar Utrecht geloopen, kauwend op gras, omdat hij te verlegen was om bij de boeren brood te vragen en drinkend uit de vaart. Te Utrecht had hij moedeloos en hongerig rondgedoold, vertwijfelend of hij wel ooit Amsterdam zou bereiken. Toen had hij op een klein schaftkeldertje de woorden «kosjer» in 't Hebreeuwsch zien staan, was daar binnengeloopen, had aan de juffrouw achter het toonbank-buffetje zijn wedervaren verteld.

«Bist du ein jid?» had zij hem gevraagd, wantrouwig ziende naar zijn blond haar en zijn blauwe oogen. Hij antwoordde bevestigend. Maar zij geloofde hem niet, liep naar de voordeur, bleef half op het trapje staan, den vagebond niet uit het oog verliezend, riep naar boven door 't geopende raam van 't bovenhuis «Rebecca, Rebecca . . . vraag eens of je grootvader beneden komt... zaj het doen as een auggie?»

Norsch was een oud man, gewekt uit zijn dutje, naar beneden komen sjokken.

«Vader... dat is een arm koopman, die een boterham vraagt... En heel zacht tot hem: «Ik geloof dat het een köj is. Laat 'm eerst ooren! ...

«Bischt de ein Jehoede?» had de man argwanend gevraagd.

Sluiten