Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk I.

Schurend de voeten lang-s het asfalt, de knieën krom in de afzakkende broek, de schouder hoog in de geelbruine lange jas. zoodat het oude-mannetjeskopje met het altijd prevelende mondje in 't lichaam inzakte, de roesterige lakensche pet, met de groote klep, diep in de oogen, de dorre handen in de zijzakken van zijn jas, schoof Nauman dicht langs de huizen van de winkelstraat.

Zoo kende men hem al jaren. Voor elke deur bleef hij even staan, keek zoet-grijnzend naar binnen, loerend met zijn flauwe, trage oogen, die streken langs de goederen, langs den grond, langs de menschen.

..Niets vandaag?» prevelde hij, knikkend met het hoofd, ondervragend, vorschend.

Als dan iemand binnen nee-knikte, schoof hij weer voort tot de volgende deur. Hij begon zijn wandeling 's morgens bij de Munt om half tien. Om half elf was hij op den Dam. Daar rustte hij een oogenblikje uit tegen het hek van Zeemanshuis ot bleef kijken naar de drukte voor het loterij-kantoor.

Daarna begon hij zijn schuif weer bij de Groote Club en kwam om halftwaalf op de Munt. Dan liep hij wat sneller en was om twaalf uur over de Blauwbrug, voelde zich nu weder eerst rustig en ging koffie drinken in 't onderhuis in de Zwanenburgerstraat, waar zijn gezin woonde. Vóór hield hij een pandjeshuis, hij, de bijna zeventigjarige grootvader, de éénige die brood kon verdienen, 't hoofd van 't gezin. Zijn zoon was een halve idioot en sorteerde vodden. Zijn schoondochter met acht kinderen, jongens en meisjes, huisde achter in twee muffe, hokkerige kamertjes. De twee oudste kleinkinderen, een jongen van zeventien en een van negentien jaar, gingen eiken dag uit met de voddenkar, dienden den grootvader als kruiers.

Zij noemden hem, Nauman. in de Kalverstraat, ,,de Azer."

Sluiten