Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trein en ik ga naar ze toe. 'k Zal een paar bussen Goudsche sprits meenemen. Daar hield ze zoo van. En wat blommen voor Jane . . . Nou, die kan ik wel in Aken koopen. Gek dierv mijn Jaantje. Altijd, dol op blommen geweest, 'k Vraag, wat ze an een blom ziet. Een dood ding. Groeit en verlept. Altijd 't zelfde. Toen ik kleine jonge was, hebben de fuchsia's bij mijn moeder er al nèt zoo uitgezien als nou. Van een dier kan ik houden. Van een hond. Daar heb je aanhankelijkheid vanMaar wat heb je aan een blom?»

Hij liep met zijn handen op zijn rug, zijn hoofd voorover,, de schouders wat óp om de kraag van zijn jas hooger over zijn hals te schuiven, voelend zacht de streeling van 't fluweel tegen zijn nekhaar.

Hij wilde naar huis terugloopen, langs de overzij van de gracht. Maar hij slenterde een eindje Vijzelstraat door, sloeg nu rechts af, de Reguliersdwarsstraat in, bleef wat verder in die straat stil staan voor een huis, waar tegen de ruit getikt werd door een vrouw, die in een peignoir half achter het neteldoeksch gordijn verborgen zat en nu hem toelachte.

Hij duwde de aan staande deur open, liep 't gangetje binnen,, werd door de vrouw aan de kamerdeur verwelkomd.

Hij ging binnen zitten, terwijl de vrouw dadelijk het valgordijn liet zakken, keek nu eens rond in 't vaal-duister van de armoedige kamer.

Ze begon met hem lief te vragen of hij geen glaasje bier wou drinken.

<Goed — geef mij een glaassie bier. . . Neen, doe nou niet zoo verliefd, 'k Ben hier binnen kome loopen omdat ik ine buiten verdom. . .

'k Heb het land aan mijn leven, 'k heb \ land aan de heele wereld.»

,,Heere Jissus, as je nog zoo n mooie ring èm je vinger heb en zoo'n mooie dasspeld en zoo'n dikke ketting, dan heb-ie toch nog geen zorg, suikerkéreltje... Dan breng-ie 't naar oome Jan en je hebt ze weer. .

,,'k Heb geen geldzorg, 'k Heb cente zat. .

„Nou, geef mij ze dan maar. Ik kèn ze gebruiken hoor. 't Is hier geen stand. . . Je mot dubbele huur betalen en je

Sluiten