Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komme. Maar ik zei, die komt zéker terug. Dat is een goeie man. En wat héb je daar . . . hèb je 't warachies méégebracht?. .

Hij legde het pak op tafel, knoopte het open. De twee vrouwen, al die rijkdommen ziende, waren versteld van vreugde.

Gerritje pakte Ricardi beet, zoende hem in de hals. Janssie schonk een glas cognac in, 't laatste uit de flesch.

„Maar ga zitten. Je zult moe zijn van zoon pak te dragen. En drink 'n slokkie . .

„Een blous . . . een blauwe blous . . . met opslagen . . . fijn hoor ... en een donkerblauwe rok!" . . .

„Dat 'sjou maat Janssie .. ."

„Nou, nou ben ik't heertje hoor .. . Nou ben'k ingespannen. God mensch, ik heb 'r al zoo lang verlangen op gehad. Maar je komt er niet toe om 't je te koopen. 't Is zoo duur . . ."

En bij elk nieuw stuk waren de vrouwen opgetogen. Ze bevoelden de kousen, sprongen rond, de hemden zwaaiend boven heur hoofd, dansend met de pantalons, ze uitgespreid voor heur rok houdend om 't effect van de kanten zoomen te zien.

Stoeiend met elkaar, kleedden zij zich uit, begonnen zich te wasschen, dartel, over-gelukkig, zich geheel gevend aan de vreugde van 't oogenblik.

Ricardi zat met zijn cognacje voor zich in de breede leunstoel, die anders voor 't raam was geschoven. Hij gevoelde zich hier nu thuis, voelde zich tevreden en gelukkig met zijn weldaad, want als zoodanig beschouwde hij zijn zaakje.

Ze zouden nu uitgaan. Niemand zou die twee vrouwen, nu ze zoo gekleed waren, aanzien voor 't geen ze waren. En wanneer ze ook herkend werden, dan nog kon 't hem niets bommen. Ze hadden hem wel eens meer in gezelschap van vrouwen gezien. Hij was nooit hypocriet geweest. Als ze 'm over een half jaar wegdroegen naar Muiderberg, mochten ze dat er nog bijzeggen. achter zijn lawaaie. Dat-ie twee ongeiukkige stumpers een vroolijken dag had bezorgd. Dat-ie ze in een zaakkie had gezet. Ja . . . en van andermans geld. Neen, hij zou medelijden hebben met het geld van die Engelsche bank! Of van die Engelsche fabrikanten! Hij dacht er niet aan. Je moest denken een „gazzar een hoar aus".

Dat geld van de fabrikanten? Waar kregen zij het vandaan?

Sluiten