Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb. Die zal zich wel weten weg te maken. Wat-ie gedaan heeft ? Misschien valsch gespeeld. Of den boel stukgeslagen in een kast. Of een zwendel op touw gezet, 't Kan me niks schelen. Ik heb mijn plicht gedaan. Hij is goed geweest voor mij, ik ben goed voor hem. God zal me daarom beschermen. En al leggen ze me op de pijnbank, dan krijgen ze toch niet uit me, dat ik het telegram heb weggestuurd, 't Heb mijn hand bij 't schrijven zoo verdraaid, dat me niks is waar te maken.

Het Munttoren-carriljon begon te tjankelen. Nathan keek op naar de wijzerplaat. Twaalf uur. Vóór twee uur, half drie kan ik niet terecht op de receptie. Wat zal ik doen met me tijd. Naar huis wil ik niet, om de verstoring niet an te zien en Hirschfeld uit de oogen te blijven. Wandelen wil ik ook niet, daar ben ik te moe voor. Wat is zóó'n Zondag vervelend. En wat loopen die menschen allemaal slecht gekleed. Kijk me die man aan, met een kamgaren gekleede jas. Daar heit-ie toch minstens een bankkie van vijf-en-twintig voor neergelegd. Kijk dat goed in den rug zitten. En kijk de hals af-zakken. Die jas sluit niet, die valt heelendal niet op 't boordje an. Als ik naar me lust te werk ging, zou 'k zoo 'n man in zijn nek wille pakken en zeggen: kijk is man, als je geen gazzar in je kop hebt, hoe die jas je zit. Waar heb je die gekocht? Hoeveel heb je er voor betaald? Vijf-en-twintig gulden? Laat je dan door Nathannetje Souget zeggen, dat ze je bedonderd hebben. Dat is wat wij „mieschjt" noemen. Jawel, om u te dienen, T,mieschjt. Dat valt niet an op uw boordje. Die rug is te wijd. Dat mot alles insluiten."

Nathan Souget bleef tot half twee zich in zijn ééntje amuseeren met het beschouwen van de slecht-zittende kleeren der Zondagsgangers. Toen hij van 't loopen vermoeid was, ging hij bij Mast op 't Rembrandtplein voor 't raam wat gebruiken, turend naar de voorbijgangers, schattend wat ze voor hun jassen, broeken, vesten betaald hadden, trachtend aan den snit en de stoffen te zien, waar ze hun kleeren gekocht hadden, zich verheugend als hij een goed gekleed persoon zag voorbijgaan, lachend in zijn hart, als hij Zondagswandelaars zag, die blijkbaar in den kleerenwinkel bedrogen waren, met kleine uitroepen van inwendige lol. „Ai, wé, wat mot-die te pakken

Sluiten