Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goederenrecht c. a. biedt ons een goede handleiding voor de indeeling der te behandelen stof. Zooals haar titel aangaf, bevatte zij een regeling van het recht omtrent de Geestelijkheid en hare, sc. de geestelijke goederen, onder welke benaming in deze ordinantie verstaan werden alle goederen, die rechtstreeks of zijdelings bestemd waren voor en verknocht waren aan de vervulling van zuiver religieuze of religieus gekleurde verplichtingen, als de goederen verbonden aan kapittel- en parochiekerken, kloosters, broederschappen, pastorieën, vicarieën, en i. e. w. aan alle geestelijke beneficiën en officiën *).

Van wie waren deze goederen? Behoorden zij aan één rechtssubject? Zoo ja, welk was dit dan? En zoo neen, welke subjecten, natuurlijke of onlichamelijke, waren het dan, aan wie ze toekwamen? Was het eigendomsrecht in dezelfde hand als het bezit, of niet?

Op deze vragen zijn zeer uiteenloopende antwoorden gegeven, goeddeels een gevolg hiervan, dat de bron, waaruit ze werden geput, niet dezelfde was voor allen, die zich tot dezen arbeid zetten, dat velen de oplossing niet zochten in rechtsregelen en rechtsfeiten maar in zekere dogmatische voorstellingen, hetgeen

i) Sedert de Reformatie werden, in Utrecht althans al deze goederen samengevat onder den naam van geestelijke goederen.

Deze naam was ontleend aan het vóór-Gereformeerde recht en was niets dan een reminiscens aan een tot het verleden behoorenden rechtstoestand, daar ten gevolge der Reformatie de tegenstelling: geestelijk-wereldlijk van het rechtsterrein verdween.

Vóór de Reformatie lag het criterium in het recht waaronder de goederen stonden, sedert werd het gezocht in de strekking der goederen. De naam bleef dus behouden maar de zaak veranderde ten eenenmale. Bij de schrijvers heerscht' waarschijnlijk doordat de quaestie niet begrepen wordt, groote onzekerheid ten opzichte van de woorden „geestelijke" en „kerkelijke" goederen; zij gebruiken ze in willekeurigen zin, zoodat bij den een geestelijke, wat bij den ander kerkelijke goederen heeten. Als men maar in het oog houdt, dat het zoodoende een bloote woordenquaestie is en den maatstaf, dien bij de keuze der woorden aangelegd wordt, niet uit het oog verliest, kan deze willekeurige naamsgeving geen kwaad; men heeft het recht de woorden te gebruiken in den zin waarin men dat wenscht; maar uit deze terminologie dan conclusies te trekken voor de rechtspositie dier goederen is ongeoorloofd, b.v. voor de beweerde secularisatie der geestelijke goederen na de Reformatie.

Cf. o. a. Jhr. Mr. W. II. de Savornin Lohman Az., De Kerkgebouwen van de Gereformeerde (Hervormde) Kerk in Nederland, Amsterdam 18S8, pp. IIO—112.

Sluiten