Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaald vermogensgeheelJ); het was het klooster zelf, dat hij hetzij dan in eigendom hetzij in leen bezat; de inhoud van het recht bestond hoofdzakelijk in het genot van de inkomsten van het klooster voorzoover deze nl. noodig waren om het klooster als zoodanig te exploiteeren, en in de aanstelling van den deken of prior, die aan het hoofd ervan stond.

Behalve de vergeestelijking van het lichaam door den Bisschop waren er nog verschillende andere voorwaarden, die vervuld moesten worden, opdat van een klooster in den waren zin des woords sprake kon zijn; het is hier niet de plaats deze te behandelen; slechts op deze wensch ik te wijzen, dat de leden ervan geheel der wereld afgestorven moesten zijn, zich onder een door het kerkelijke gezag erkenden regel moesten verbinden 2); zij werden hierdoor geene geestelijken (clerici) in den strikten zin des woords, maar „religiosi"; een klasse tusschen de geestelijken en de leeken vormden zij, die in verschillende opzichten met de geestelijken werd ge 1 ijk gesteld, zooals ons uit de boven vermelde bekrachtiging van Bisschop Horis reeds is gebleken3). Een corporatie, wier leden feitelijk als kloosterlingen leefden, doch geen kerkelijk geapprobeerden regel volgden, al legden zij ook de drieledige gelofte van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid af, was geen klooster in den technischen zin des woords, en stond geheel onder het wereldlijke recht4). Scherpe grenzen zijn in deze materie uit den aard der zaak echter niet te trekken; tusschen zuiver wereldlijke en zuiver geestelijke lichamen lagen er, die meer naar den eenen of meer naar den anderen kant helden, en dientengevolge gerangschikt werden onder en behandeld werden als de sooi t, tot welke zij het dichtst naderden.

Zoo gold een stift of canonissencorporatie als „corpus ecclesiasticum" 5). In den ruimen zin des woords kan een stift wel

1) Cf. Richter-Dove 1. c. p. 557 noot 2o*

2) v. E., I. XXIV. I. $ 15.

3) Cf. v. E., I. XXIV. I. § 15; en I. XXIV. II. ff 11, 12.

4) v. E., I. XXIV. I. f 16.

5) v. E., I. XXXIII. II. § 30. Veelal werd het ook een „Monasterium" genoemd, en heetten zijne leden „Sanctimoniales", vooral tengevolge van de door de Synode van Aken in 817 aan deze materie gegeven regeling, v. E., I. XXXIII. II. ff 5 sqq.

Sluiten