is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot het object van zijn recht; het kerkelijke vermogen bleef een afzonderlijk geheel vormen, evenals zulks het geval was, wanneer een klooster of een hospitaal door een leek werd bezeten; aan het in het oog houden hiervan was de onderscheiding in kerk en altaar uit den aard der zaak echter niet bevorderlijk, door welke immers de eenheid der kerk, het voorwerp van het recht, uiteenviel in temporalia en spiritualia, zoodat alleen de eerste als het rechtsobject werden beschouwd, m. a. w. de goederen zelve los van hun bestemming rechtstreeks in het zeggenschap van den kerkeigenaai kwamen. Deze constructie schijnt mij dan ook de aanleiding te zijn geweest, waardoor ten slotte deze goederen als het eigendom der geestelijke lichamen, die kerken bezaten, beschouwd konden worden. Deze lichamen toch bleven alleen over als kerkenbezitters, de leeken-bezitters verdwenen; en voortaan heette het, dat de door hen bezeten kerken bij hen geïncorporeerd waren, een woord, dat niet voor de verhouding der leeken tot hunne kerken gebruikt werd, en dat het bedoelde verschil in hun recht aanduidt !). De goederen eener geïncorporeerde kerk toch werden versmolten met die van het klooster of het kapittel, bij hetwelk zij geïncorporeerd was; het verkreeg er even vrije beschikking over als over zijne eigen goederen, m. a. w. de goederen tot een geïncorporeerde kerk behoorende, werden het eigendom van het klooster of het kapittel. Deze constructie schijnt mij wel met den feitelijken rechtstoestand te strooken, daar de kapittelen en kloosters zich als eigenaars dier goederen gedroegen, zonder dat hun hierin tegenspraak geschiedde; meer dan een constructie is het echter niet. Doch juist, omdat het niets meer is dan een constructie, meen ik het recht te hebben het bedoelde verschil niet aan te nemen, en aan de kapittelen en kloosters geen eigendomsrecht in den waren zin des woords op de goederen aan de geïncorpeerde kerken klevende, toe te kennen, maar een ius sui generis, een incorporatierecht, dat wel zich als een eigendomsrecht voordeed, maar het niet inderdaad was. En wel hierom, omdat in de incorporatieacten

I) Cf. Hinschius 1. c. II. p. 445-