Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bediening ervan; de finantieele bevoegdheden aan het pastoraat verbonden, bleven aan het kapittel of het klooster. Er was derhalve een scheiding gemaakt tusschen de geldelijke en de herderlijke bevoegdheden van het pastoraat, tusschen de „ecclesia" en het „altare", en met deze beide groepen van bevoegdheden werden twee personen begiftigd. Wie was nu de pastoor der kerk? Op deze vraag kan m. i. niet anders worden geantwoord dan: de een was het finantieel en de ander was het herderlijk, hetgeen op hetzelfde neerkomt als: geen van beiden, of als: samen waren zij het. Dat over het voeren van den naam strijd is gevoerd, ligt voor de hand; wij zagen reeds, dat de kapittelen en kloosters zich later gaarne den naam van „pastores primitivi" gaven en aan de priesters, die de kerken bedienden slechts dien van „vicarii" gunden !).

Inderdaad mag aan dezen strijd slechts een bloot logomachisch karakter worden toegekend. Wanneer van Espen zegt, dat de „vicarius perpetuus" — dit was zijn gebruikelijke naam — geen vicarius in den waren zin des woords was, maar „curatus", omdat hij het was die de cura animarum uitoefende, „pastor", omdat door hem als herder de gemeente werd geweid, en „parochus", omdat hem het „regimen spirituale Parochiae" toekwam 2), dan valt hier niets tegen te zeggen, maar dient geconstateerd, dat hiermede nog niet is aangetoond, dat hij inderdaad, in den vollen zin des woords, pastoor was, d. i. bezitter van het pastoorsbenefice, evenmin als aan den anderen kant het recht op den naam pastoor gefundeerd was door het bezit van de finantieele pastoorsbevoegdheden.

Inderdaad was geen van beiden pastoor; de canonieke terminologie kende hun dan ook dezen naam niet toe, maar noemde den bedienaar der kerk, d. i. den bezitter van het altaar, „vicarius perpetuus".

Vanwaar dit woord „vicarius" 3)? Wiens plaatsvervanger was hij? Niet van het kapittel of klooster, dat de kerk bezat, want

1) Cf. pp. 80, 81.

2) Dissertatio etc. III. $ 2.

3) Cf. Mr. Muller 1. c. p. 210. Mr. Koker 1. c. p. 5.

Sluiten